Universiteit wordt uit de markt geprijsd

Op de arbeidsmarkt tekent zich een omslag af, die consequenties moet hebben voor het hoger onderwijs. Yvonne van Rooy bepleit een gemeenschappelijke aanpak van hoger onderwijs, sociale partners en overheid, die moet resulteren in een actieprogramma om de voorziene tekorten op de arbeidsmarkt tegen te gaan, zowel kwalitatief als kwantitatief.

Nederland wordt steeds meer een kennisintensieve economie. Geen beleidsnota, toekomstverkenning dan wel strategisch beleidsplan of het belang van een sterke kennisinfrastructuur wordt onderstreept. Op het eerste gezicht dus een uitmuntend klimaat voor universiteiten, die immers het fundament van die kennisinfrastructuur vormen.

De werkelijkheid is volstrekt anders. Universiteiten genieten niet meer het maatschappelijke aanzien dat deze instellingen vele decennia gekenmerkt heeft. Dat is onder meer het gevolg van de 'massaficatie' van het wetenschappelijk onderwijs, waardoor het elitaire, zuiver academische karakter verdween en plaats maakte voor laagdrempelige hoger onderwijsinstellingen. Gevoed door de behoefte om opleidingen goed op de arbeidsmarkt aan te laten sluiten ontstond een trend naar steeds meer gespecialiseerde opleidingen, dat wil zeggen: direct toepasbare maatschappelijk nuttige kennis, hetgeen veelal ten koste ging van een brede academische vorming. Hoezeer de brede toegankelijkheid van universiteiten ook toe te juichen is, ze veranderde wel sterk het imago van onze instellingen. Van gewaardeerde exclusieve kweekvijvers voor een kleine intellectuele elite werden het steeds meer reguliere onderwijsgiganten, waar niets bijzonders aan is.

Maar het matig imago van universiteiten is ook voor een deel te wijten aan de universiteiten zelf, die de afgelopen jaren allerminst uitgemunt hebben om hun veranderende positie als moderne vitale hoogwaardige kennisinstellingen goed over het voetlicht te brengen. Wie weet nu dat universiteiten de afgelopen tien jaar een gigantische efficiencyslag gemaakt hebben? Wie beseft dat het aantal afgestudeerden sinds begin jaren tachtig verdubbeld is, maar dat de kosten per afgestudeerde sinds 1992 met maar liefst 40 procent gedaald zijn? Een productiviteitsstijging waar menig bedrijf jaloers op zou zijn. Wie weet dat het aantal dissertaties sinds 1970 verdrievoudigd is met minder dan twee keer zoveel personeel? En hoe staat het met de kennis over de Nederlandse onderzoeksprestaties? Uit tal van internationale onderzoeken blijkt dat onze instellingen ook op onderzoeksgebied mede de toon zetten, maar dat leidt allerminst tot een soort oranjegevoel voor de Nederlandse universiteiten.

Klaarblijkelijk is er nog een wereld te winnen in het uitdragen van de boodschap dat de prestaties van de universiteiten niet vergelijkbaar zijn met twintig jaar geleden en dat niet almaar betere waar geleverd kan worden tegen een lagere prijs. Dat die boodschap ook politiek Den Haag nog steeds niet bereikt heeft, blijkt wel uit het regeerakkoord. In een regeerencyclopedie van 83 pagina's is welgeteld één passage van tien regels gewijd aan het hoger onderwijs en onderzoek en mogen we ons verder verheugen in nog eens negen regels studiefinanciering. Deze minimale aandacht voor de rol van universiteiten als fundament van de zo belangrijk geachte kennisinfrastructuur is nog tot daar aan toe, als de inhoud dan maar perspectief zou bieden. Echter, opnieuw een koude douche. Tegenover het gerechtvaardigde pakket van de VSNU dat de universiteiten deze kabinetsperiode ruim 600 miljoen extra nodig hebben om hun prestaties op peil te houden en te kunnen investeren in Informatie en Communicatie Technologie (ICT) en huisvesting, staat een bezuiniging de komende jaren van ruim 300 miljoen. Naast de 200 miljoen die nog uit de vorige periode op de lat stond en ten onrechte gehandhaafd is, worden de universiteiten ook nog eens gekort op de arbeidsvoorwaardenruimte.

Maar daarmee is niet alles voor deze kabinetsperiode gezegd. Het parool moet zijn: reculer pour mieux sauter. Ging het vorige regeerakkoord nog uit van een daling van het aantal studenten in het Wetenschappelijk Onderwijs (WO) tot 140.000, inmiddels weten we dat dit cijfer niet meer realistisch is. Sinds afgelopen jaar trekt het aantal eerstejaars weer aan: naar verwachting dit jaar met 4 procent. Dat is positief voor de instellingen. Maar belangrijker is dat deze groei ook hard nodig is gelet op de zeer forse tekorten aan academici op de arbeidsmarkt.

Het Onderzoeksinstituut voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) voorziet in 2002 een tekort van ruim 50.000 academici. Jaarlijks studeren ongeveer 25.000 personen af bij de universiteiten. Gezien de vraag op de arbeidsmarkt zouden dit er ieder jaar ruim 10.000 meer moeten zijn. De oorzaak hiervan is niet alleen de groei van de economie maar ook de arbeidsduurverkorting, het grote aantal deeltijdfuncties en vooral de toename in de komende jaren van de uitstroom van werkenden en afnemende instroom van jongeren. : de babyboomers van na de oorlog verlaten en masse de arbeidsmarkt (jaarlijks 3,3 procent) en de economische groei zorgt ook nog eens voor 1,7 procent nieuwe banen. Daartegenover staat een afnemend aantal jongeren dat zich op de arbeidsmarkt meldt. Kortom, er is sprake van een buitengewoon forse omslag op de arbeidsmarkt. Daar komt nog bij dat volgens het ROA de knelpunten groter worden naarmate een hoger opleidingsniveau gevraagd wordt. Tekorten zijn al lang niet meer het exclusieve domein van informatici en technici, maar hebben evenzeer betrekking op fiscalisten, accountants, economen, P & O-deskundigen, afgestudeerden bij Letteren en op juristen, allemaal opleidingen die de Katholieke Universiteit Brabant (KUB) biedt. De grootste tekorten ontstaan in de sector economie/recht (18 procent). In dit verband verbaast het mij dat de zakelijke dienstverlening niet veel meer de trom roert.

Regeren vraagt, zoals bekend, vooruitzien. Als er één probleem voorzienbaar is dan is het wel de enorme omslag op de arbeidsmarkt. Dit lijkt de achilleshiel voor het nieuwe kabinet te worden. Welnu, juist om de risico's daarop te verkleinen kunnen universiteiten een essentiële rol vervullen. Eerste vereiste daarvoor is dat de krapte op de arbeidsmarkt hoog op de politieke agenda komt. Dat vraagt om een omslag in het denken over werkgelegenheidsbeleid: stond de afgelopen jaren de vraagkant centraal, het tekort aan banen, de komende jaren zal vooral de aanbodkant alle aandacht vragen. Van werk, werk, werk naar opleiding, opleiding, opleiding.

Daarom wil ik een gemeenschappelijke aanpak bepleiten van hoger onderwijs (WO en HBO), sociale partners en ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Economische Zaken en Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dit moet resulteren in een actieprogramma om de voorziene tekorten op de arbeidsmarkt tegen te gaan, zowel in kwalitatieve als kwantitatieve zin. Dit actieprogram zou de volgende elementen kunnen bevatten: allereerst het stimuleren van een grotere doorstroom van VWO'ers naar het WO. Gemiddeld neemt zo'n 35 procent van jongeren in Nederland deel aan het hoger onderwijs. Dit cijfer moet en kan omhoog om enigszins te kunnen voldoen aan de toegenomen vraag. Ter vergelijking: in de Verenigde Staten ligt dit cijfer op 50 procent. Universiteiten en Hogescholen zullen daarin zelf een actieve rol moeten spelen door meer inspanningen richting het voortgezet onderwijs om die gewenste doorstroom te bevorderen. Maar tegelijk zullen zij dan wel in de gelegenheid gesteld moeten worden om die extra instroom ook te kunnen absorberen, zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit van het onderwijs. Ook meer verkorte academische opleidingen voor HBO'ers, zoals de Juridische Faculteit voor de Belastingdienst gaat verzorgen, kunnen een effectieve weg zijn om het aanbod van academici te vergroten. Andere elementen van een gezamenlijk actieprogram behelzen het bevorderen van een voortgezette arbeidsdeelname van ouderen door tegengaan van leeftijdsdiscriminatie, meer aandacht voor het op peil houden van beroepskwalificaties voor oudere academici en het ontmoedigen van het gebruik van VUT-regelingen.

Daarnaast dient evenzeer de doorgeschoten arbeidsduurverkorting onderwerp van bespreking te zijn, ook al is het evident dat aan het terugdraaien daarvan een stevig prijskaartje zal hangen. Toch is het gewenst mogelijkheden te creëren voor meer differentiatie in arbeidstijden afhankelijk van de situatie op de arbeidsmarkt. Waarom moet iedereen die voltijds werkt in het CAO-keurslijf van dezelfde jaarlijkse arbeidsduur geperst worden? Ongetwijfeld zullen de nieuwe ministers op hun eigen departementen ruimschoots geconfronteerd worden met de onwerkbare effecten van de arbeidsduurverkorting. De bijdrage van de universiteiten aan dit actieprogram wordt wel bemoeilijkt door hun eigen magere positie op de arbeidsmarkt. Het zal ook voor ons in toenemende mate moeilijk worden om vacatures op een kwalitatief voldoende niveau te voorzien.

Natuurlijk, de hoogte van de inkomens is voor de wetenschapper niet de eerste en enige stimulans om aan een universiteit te werken. Voor mensen die gedreven worden door een intellectuele passie is en blijft de universiteit een eminente werkomgeving. Maar wij mogen de ogen er niet voor sluiten dat wij voor het aantrekken van nieuw jong talent wel degelijk moeten concurreren met het bedrijfsleven en de overheid. Beide bieden aanzienlijk betere arbeidsvoorwaarden. Het risico dat nu dreigt is dat vacatures misschien nog wel vervuld worden, maar niet op het excellente niveau waar universiteiten het nu juist van moeten hebben.

Er ligt een schone taak voor minister Hermans om op het terrein van het arbeidsmarktbeleid een actieve rol te spelen en zo bij te dragen aan de oplossing van de problemen waar vooral zijn collega's van Economische Zaken en Sociale Zaken mee geconfronteerd zullen worden.