Skeeleraar droomt van schaatssucces

Ik zat eerst op schaatsen. Dat kon ik vrij aardig. Zo rond mijn veertiende had ik een nieuw paar schaatsen nodig. Toen vroeg ik mijn vader of ik een paar mocht waar je een skeeleronderstel bij kon kopen. “Nou vooruit”, zei hij, “dan heeft die jongen zomers ook wat te doen.”

Vervolgens zag de voorzitter van de skeelerbond regio Oost me een keer bezig. Hij vond dat ik het heel aardig deed en nam me mee naar een wedstrijd. Ik werd één na laatste. Maar dat lag aan mijn onderstel, hoorde ik van mensen die er verstand van hadden. Voor een prikkie kon ik toen een beter onderstel overnemen. De volgende wedstrijd werd ik meteen derde. Ik kreeg bloemen en zo. Dat was wel kicken.

Dit jaar is mijn eerste jaar bij de A-rijders. Het gaat heel goed: ik heb de meeste overwinningen behaald. Mijn kracht is dat ik eigenlijk alles wel goed kan. Mijn sprint is goed, maar mijn basisconditie ook. Verder heb ik een goeie techniek. Dat is ook belangrijk, hoewel niet zo belangrijk als bij schaatsen.

Op de schaats reed ik afgelopen winter heel hard. Zo hard, dat ik tweede werd op het WK voor junioren. Daardoor mocht ik dit jaar in de selectie voor Jong Oranje. Maar ik heb nee gezegd. Gewoon, omdat het opeens allemaal zo snel ging én omdat ik nog een zomer wilde skeeleren. De sfeer bij wedstrijden is altijd geweldig. Het zijn meestal rondjes om de kerk, met veel publiek langs het parcours. De sfeer tussen de rijders onderling is ook altijd goed.

In de toekomst gaat de nadruk op schaatsen liggen. Die sport heeft toch meer status, hè. Als ik droom, droom ik ook dat ik als schaatser deelneem aan de Spelen.

Dit is de dertiende aflevering van een serie over mensen die op hoog niveau een typische zomersport beoefenen.