Op bedevaart

Halverwege Helmond en Kevelaer, vermoedelijk in de gemeente Venray, moet de oude hoeve De Kraaienest liggen. In de hooischuur van de boerderij heeft mijn grootvader menige nacht doorgebracht toen hij in de jaren twintig en dertig, aanvankelijk te voet en later per fiets, vanuit Helmond op weg was naar de bedevaartplaats Kevelaer, vlak over de Duitse grens.

De bedevaartgangers uit Helmond plachten, vaak begeleid door een huifkar, in groepsverband te gaan. En onderweg baden ze, in het bijzonder rozenhoedjes. Voor de veertig kilometer lange (voet)tocht oostwaarts verzamelden ze zich bij de plaatselijke Paterskerk, 's zaterdags rond het middaguur als de lange werkweek erop zat. Mijn grootvader kon pas enige uren later vertrekken, in zijn eentje. Want hij was pas tegen drieën klaar met zijn werk. Als chef van de zetterij van het Helmonds Dagblad moest hij dan al de maandagkrant voorbereiden. Omdat hij niet voor donker in Kevelaer kon zijn, logeerde hij in de stal van De Kraaienest en op zondagochtend, voor dag en dauw, liep hij dan verder.

Op de dag des Heren was het een drukte van belang in het Duitse stadje, dat thans 26.000 inwoners telt. Het Helmondse gezelschap trof er steevast duizenden pelgrims aan, die bijeenkwamen op de Kapellenplatz in het centrum. Op dat plein, eeuwen geleden het kruispunt van de wegen Amsterdam-Keulen en Brussel-Munster, staat in de zogenoemde Genadekapel een kleine, uit Antwerpen afkomstige kopergravure van de Heilige Maagd Maria met de titel 'Troosteres der Bedroefden'.

De afbeelding is een gift van de eenvoudige, Duitse koopman Hendrick Busman. Toen hij rond Kerstmis in het jaar 1641 bij een kruis ter bescherming tegen hagel aan het bidden was, hoorde hij een geheimzinnige oproep: “Op deze plaats sult gij mij een kapelleken bouwen.” Busman keek rond, maar hij zag niemand. Een week later hoorde hij op dezelfde plek dezelfde stem en dezelfde woorden “helder en duidelijk”. Toen zijn vrouw 's nachts in een groot licht een voorstelling van een kapelletje zag, wist Busman het zeker. Hij moest de kapel bouwen naar het model dat zijn echtgenote had gezien.

In mei 1642, op de dag dat het kapelletje werd geopend, kwam een menigte mensen naar Kevelaer, dat vervolgens uitgroeide tot een waar bedevaartsoord. In het Duitse stadje verschenen een basiliek, een aantal kapellen en een biechthuis dat nog steeds in gebruik is. De Hauptstrasse en de Amsterdamer Strasse, die naar de Kapellenplatz leiden, zijn de voornaamste (winkel)straten geworden. Daar vind je de souvenirs, de kunsthandelaren, de terrasjes en de hotels. In een van die twee straten moet mijn grootvader ver voor de Tweede Wereldoorlog de zware stenen beelden voor een complete kerststal hebben gekocht, die hij op zijn rug mee naar Helmond sleepte.

Anno 1998 oogt Kevelaer gemoedelijk. Godshuizen, een processie en kaarsen, kaarsen, kaarsen, en veel vijftigplussers. Per jaar komen er een miljoen bezoekers, van wie eenvijfde uit Nederland. Sinds “het slechte jaar 1994” neemt de belangstelling in Nederland voor bedevaarten weer toe, zegt het Nationale Bedevaartbureau in Den Bosch. Het aantal georganiseerde pelgrims bij het Nationaal Bedevaartbureau is toegenomen met “zeven tot tien procent per jaar tot zevenduizend in 1997”.

Behalve het Nationaal Bedevaartbureau, het grootste in Nederland, zijn nog drie instanties actief die samen per jaar zo'n zesduizend Nederlandse pelgrims vervoeren. Lourdes, Rome en Fatima zijn het populairst. Kevelaer is vooral in trek bij gelovige mensen die samen een bus huren of er op eigen houtje heen gaan voor “een dag van bezinning”.

Zoals mijn grootvader. Op de weg terug rijd ik vanuit Kevelaer bij Well de grens over, richting Helmond. Als ik Venray passeer, let ik scherp op de boerderijen. De Kraaienest kom ik niet tegen. “En toch bestaat die hoeve nog waar ons vader logeerde,” verzekert mijn tante van 86 jaar me. “Ga je met de bus van Helmond naar Blerick, dan kom je er langs.”