Kannibaal verleden

In Papoea Nieuw Guinea is een tijdje geleden grote beroering ontstaan over een uitspraak van prins Philip. De prins had terloops aan een Australische student gevraagd die net was teruggekeerd van een trektocht door Papoea Nieuw Guinea: 'You managed not to get eaten, then?' Nu staat prins Philip wel een beetje bekend om zijn minder tactvolle uitspraken - de lokale krant noemde hem daarom Britain's foot-in-mouth ambassador - maar de suggestie dat kannibalisme nog voorkomt in Papoea Nieuw Guinea ging te ver. Ik geloof dat er inmiddels een officieel excuus van Buckingham Palace onderweg is. Een paar weken later zei de premier van Papoea Nieuw Guinea tegen een groep buitenlandse investeerders die mopperden over de inflatie, dat hij bereid was om de plaats van zijn voorouders in te nemen want die aten witte paters.

Daar schrokken die investeerders wel een beetje van en de politieke oppositie sprak van schande. Zijn antwoord luidde: 'I have a sense of humor, it's inbuilt.'

Het oude beeld van Papoea Nieuw Guinea als een land waar kannibalisme welig tierde, is niet geheel verkeerd. Vorig jaar stond er in Nature (389:11) nog een artikeltje over naar aanleiding van BSE en het nuttigen van hersenweefsel. In sommige delen van de hooglanden van Papoea Nieuw Guinea had men namelijk de gewoonte om de doden op te eten. Dat gebeurde met huid en haar en vormde een soort alternatief voor begraven. Volgens antropologen was zoiets niet echt een ritueel maar meer een vorm van gourmet cannibalism. De conclusie van het onderzoek was eenvoudig: 'They ate the dead because they were delicious'.

Een amusant boek met koppensnellers en menseneterverhalen is de biografie van Sir Hubert Murray, die tussen 1907 en 1942 de gouverneur-generaal was van het Papoeadeel van Papoea Nieuw Guinea. Toen begin 1900 een zendeling in Papoea werd opgegeten gevolgd door een kleine massa-executie door het koloniale bewind, werd de jonge Murray gevraagd om recht te komen spreken. Dat was niet zo eenvoudig want van een beetje moorden hielden de Papoea's en het koloniale bewind wel. Bij de Papoea's leidden moordpartijen vaak tot het nuttigen van de tegenstanders. Murray vond dat dat niet mocht, want het was volgens hem niet christelijk. Behalve prediken was het Murray's taak om contact te leggen met de Papoea's en hen vertrouwd te maken met een koloniale overheerser. Dat ging door middel van expedities die per boot of te voet werden uitgevoerd, want wegen bestonden er toen nog niet.

Als Murray en zijn gevolg in een dorp aankwamen, werden ze niet zelden verrast op een regen van speren en pijlen. Als reactie schoten ze een paar keer in de lucht en dan naderde men elkaar. Het dorp werd geïnspecteerd, er werd wat tabak uitgedeeld en de bevolking zou zich vanaf dat moment van de Australische overheersing bewust moeten zijn.

Murray beschrijft dorpen waar de huizen volhingen met mensenschedels, al dan niet gedeukt, gebroken of stukgekookt. Ook gaat hij op zoek naar een klein eiland waar een schip met 350 Chinezen strandde. Ze waren afkomstig uit Hongkong en op weg naar Sydney. Toen hij enige weken later het eiland gevonden had, waren er nog een paar Chinezen in leven, de rest was opgegeten. De eilandbewoners zagen er weldoorvoed en vrolijk uit. Murray vond het moeilijk ze te straffen en vertrok maar weer. Het wordt niet helemaal duidelijk of hij de overlevenden meenam of voor het avondeten achterliet.

Als ik met lokale collega's of studenten over kannibalisme praat, wordt er vrijwel onmiddellijk het verhaal van de goudzoeker verteld. Goudzoekers waren een beetje woeste types die begin deze eeuw met een zeef en wat chemicaliën door rivierbeddingen trokken. Maar op een gegeven moment was er een goudzoeker spoorloos verdwenen. Er werd een regeringsexpeditie op pad gestuurd die ergens te horen kreeg dat hij in dat en dat dorp was opgegeten.

Bij aankomst in het gevreesde dorp beaamde het stamhoofd de maaltijd direct maar zei dat de voeten van de goudzoeker zo taai waren. Na drie dagen koken waren ze nog niet gaar en of de heren van de expeditie even in de keuken wilden komen kijken. Dat wilden de heren wel. Daar dreven in een troebele soep twee zwartleren en half afgekloven laarzen.