Fröbelwerk

Zoals iemand die geestelijk aftakelt wel eens een karikatuur wordt van zijn eigen persoonlijkheid, zo wordt mijn gedrag als krantenlezer na terugkomst van vakantie een radicalere versie van wat het gewoonlijk is.

Geconfronteerd met stapels dagbladen waaraan honderden journalisten hun beste krachten hebben gewijd, neem ik alleen nog maar bijzaken tot mij. Meestal probeer ik de neiging te onderdrukken om een rare kop, een verkracht cliché ('de persaccommodatie werd letterlijk uit de grond gestampt') boeiender te vinden dan de nieuwsfeiten waar het in het leven om gaat. Maar liggen onder de krant die ik doorblader nog twintig andere te wachten, dan glijden bomaanslagen, orkanen en parlementaire debatten van mij af als water van een eend.

Valt mijn oog echter op de zin dat de pottenbakster Babs Haenen composities vormt van lappen klei en zo 'de traditionele potvorm steeds meer loslaat', dan proef ik die woorden als een lekkernij. En lees ik dat de architect Ben van Berkel in Venetië een gebouw wil neerzetten dat behalve een breuk met het verleden ook een statement is, dan wil ik het liefste al mijn vrienden opbellen om dat door te vertellen.

Het bijzonderste dat deze zomer is gebeurd, is natuurlijk de aankoop van de laatste Mondriaan, Victory Boogie Woogie, op initiatief van enige doortastende heren. Je waant je als vakantieganger bijna weer terug in Frankrijk, waar zulke imponerende culturele gebaren veel gebruikelijker zijn. Van Nederlanders zou je verwachten dat ze als monument voor de verdwijnende gulden hun geld anders uitgaven, gezelliger zeg maar. Heeft niemand eraan gedacht om elk huishouden nog één keer een tientje uit te reiken, ter herinnering aan het tientje van Lieftinck, een halve eeuw geleden? Speels en democratisch tegelijk, zou zo'n gebaar (waarvan de organisatie bijvoorbeeld aan Albert Heijn had kunnen worden uitbesteed) vast op minder gesputter zijn gestuit.

Het was wel interessant om de aard van het gesputter tegen de Mondriaankoop te volgen. De eerste stemmen klonken als flarden uit een echtelijke ruzie: ik ben niet boos om wat hij doet hoor, maar dat ik het pas achteraf te horen krijg, dat is zo erg...

Pas daarna stonden mensen op die durfden te zeggen dat ze het kopen van het hele schilderij verkeerd vonden. In de kranten op mijn stapel was de altijd wat populistische Marcel van Dam in de Volkskrant de eerste. Zijn bezwaren waren nog van cultuurpolitieke aard; de kunsthistoricus B.C. van den Boogert, twee dagen later in NRC Handelsblad, schreef zelfs ronduit dat het werk hem niets zei, zo min als de meeste Nederlanders. Weer twee dagen later meldde de Grote Volksschrijver Reve zelf niets te zien in het plak- en fröbelwerk van die Mondriaan.

Terwijl de verenigde museumdirecteuren nog hadden geroepen dat het belang van Victory Boogie Woogie vergelijkbaar is met dat van de Nachtwacht en de Mona Lisa, was hiermee het klassieke (en interessante) vraagstuk van kunsthistorische canon en wat daarbij hoort, alweer gepasseerd. Nee, het spook dat nu zijn kop weer eens opstak, was de gedachte dat het vreemd is om miljoenen gemeenschapsgeld uit te geven aan zaken waarvan maar een kleine, gekwalificeerde minderheid de charmes ziet.

En toen kwam er nog een nieuwbakken staatssecretaris een toespraak houden waarin hij die gedachte opwierp alsof hij hem zelf had verzonnen, compleet met het bekende operakaartjesargument. Of dat klungelig was of juist heel geraffineerd, weet ik niet. Wel, dat die vraag in een land waar 'gewoon lekker bezig zijn' meer wordt gewaardeerd dan ontzag voor culturele autoriteiten, nogal voor de hand ligt.

Maar ik geloof dat de opera- en kunstliefhebbers niet echt bang hoeven te zijn. De ergste democratische stormen liggen achter ons, en met de Europese rijkdom groeit het respect voor grandeur à la française. Wat dat betreft kunnen we ons weer met een gerust hart overgeven aan het debat over de respectieve verdiensten van Rembrandt en Mondriaan. Of passender uitgedrukt: aan het kunsthistorische discours.