EU-ministers willen weer besluiten nemen

De ministers van Buitenlandse Zaken willen weer degenen zijn die de politieke besluiten nemen in de Europese Unie. Daarom hebben ze het afgelopen weekeinde in Oostenrijk elkaar beloofd efficiënter te werken.

SALZBURG, 7 SEPT. De lunch liep uit tot na vieren. Daarmee hadden de ministers afgelopen zaterdag in het Oostenrijkse Salzburg alvast één voorstel voor efficiënter vergaderen overtreden. Maar in de toekomst wordt het beter, beloofden ze elkaar. De werklunches moeten minder lang duren, misschien zelfs worden overgeslagen.

De ministers van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie vergaderden vooral over zichzelf, afgelopen weekeinde tijdens hun halfjaarlijkse informele bijeenkomst. Het zelfonderzoek kwam na ongezouten kritiek op hun functioneren tijdens de top van staats- en regeringsleiders in juni. De Duitse bondskanselier Kohl zei dat de ministers hun taak als coördinator van het beleid van de Europese Unie slecht uitvoeren en vrijwel al zijn collega's vielen hem bij. Het is kritiek die al langer te horen is in Brussel, waar de vergadering van ministers van Buitenlandse Zaken wel badinerend een 'praatclub' wordt genoemd. Schuldbewust proberen ze daar nu wat aan te doen.

De rol van de ministers van Buitenlandse Zaken is de afgelopen jaren steeds meer beperkt tot het doen uitgaan van machteloze verklaringen over de toestand in landen ver buiten de Europese Unie. Verklaringen die, zo constateerde de Franse minister Védrine, zelfs gespecialiseerde journalisten niet meer wereldkundig maken. Hun maandelijkse bijeenkomst in Brussel, ook Algemene Raad genoemd, verloopt vaak rommelig, met voortdurend mensen die in en uit lopen, lange monologen en een agenda die om de haverklap wordt gewijzigd. Een echt buitenlands beleid kunnen de ministers nauwelijks voeren, omdat de belangen van de verschillende lidstaten te veel uiteen lopen. Daarom gaan hun besprekingen vaak over landen die weinig controversieel zijn. In de marge van hun vergaderingen hebben ze dan nog jaarlijks een vijftigtal ontmoetingen met vertegenwoordigers uit 'derde' landen, die geen lid zijn van de EU.

Aan hun oorspronkelijke taak, het coördineren van het Europees beleid, komen de ministers nog nauwelijks toe. Ze hebben invloed verloren aan de vakministers, met name de ministers van Financiën die met de komst van de euro een steeds belangrijker rol spelen - ook internationaal. Bovendien nemen de staats- en regeringsleiders, die inmiddels vier keer per jaar bijeenkomen, steeds meer politieke besluiten. In principe moeten de ministers van Buitenlandse Zaken de top van regeringsleiders voorbereiden en alleen de meest controversiële punten aan hen overlaten. In de praktijk wordt steeds meer doorgeschoven. En de besluiten die de regeringsleiders vervolgens nemen kunnen “heel spontaan” zijn, waarschuwde Europees Commissaris Van den Broek. “Ik herinner me dat ze een keer van het ene moment op het andere een lening van 800 miljoen toezegden aan een land in crisis.”

Om hun coördinerende rol in het Europees beleid terug te winnen, spraken de ministers in Salzburg af in het vervolg de ontmoetingen van regeringsleiders weer terdege voor te bereiden. Ze namen zich voor iedere maand ten minste één onderwerp op hun agenda te zetten dat betrekking heeft op algemeen politiek beleid. Om meer tijd te hebben voor het algemene Europese beleid, maakten ze praktische afspraken zoals korter lunchen en minder praten. “Alleen degene die echt iets te zeggen heeft, moet het woord krijgen”, aldus minister Védrine. Bij ontmoetingen met derde landen hoeven voortaan maar drie ministers aanwezig te zijn.

Voorts wordt onderzocht of vergaderingen in Brussel vervangen kunnen worden door videoconferenties. Ministers worden aangespoord altijd en de hele vergadering lang aanwezig zijn. Met name ministers uit grotere landen verschijnen vaak kort of helemaal niet. Zo was de Britse minister Robin Cook afgelopen weekeinde wegens vakantie verhinderd. Tijdens deze vergadering werd al een verbetering geconstateerd: alle ministers bleven in de vergaderzaal en niemand vertrok voortijds.

Strijdlustig constateerde minister Van Aartsen, die zijn Europese debuut maakte als minister van Buitenlandse Zaken: “De algemene raad is terug van weggeweest.” Zijn Griekse collega Pangalos was sceptischer en herinnerde eraan dat zijn land al in 1988 voorstellen deed om efficiënter te gaan werken. Ook diplomaten vroegen zich hardop af of ministers niet opnieuw verleid zullen worden tijdens de vergadering hun talrijke reiservaringen uit te wisselen en alsnog een probleem ergens ter wereld op de agenda te zetten. Ierland kon zich zaterdag alvast niet inhouden en stelde voor de toestand in Soedan te bespreken. “Ze leren het nooit”, zuchtte een diplomaat. “Ieder land heeft wel zijn eigen Oost-Timor dat het op de agenda wil.”

De toetssteen of de ministers van Buitenlandse Zaken slagen hun coördinerende macht terug te winnen, zijn de onderhandelingen over de zogeheten Agenda 2000. Nu nog worden die onderhandelingen over ingrijpende hervormingen op gebied van landbouw en financiën gevoerd door de vakministers, maar volgend jaar worden de verschillende onderwerpen gekoppeld en komt de coördinatie terecht bij de ministers van Buitenlandse Zaken. Het moet hun finest hour worden. Probleem is dat de ministers doorgaans weinig belangstelling tonen voor technische dossiers over landbouw en financiën. Toen de Franse president Chirac onlangs zijn minister van Buitenlandse Zaken vroeg de voorstellen voor landbouwhervorming uit te leggen, moest deze bekennen dat hij ze niet had gelezen. “Als je als algemene raad de regie wil hebben, ontkom je er niet aan ook over landbouw te praten”, spoorde een opgewekte minister Van Aartsen zijn collega's aan. En als voormalig minister van Landbouw, weet hij waarover hij spreekt.