Alleen dikke meisjes wilden met Mondriaan dansen

Jong Holland, nr. 3, 1998. 64 blz. Prijs ƒ 19,50.

Het zou hem zelf nogal verbaasd hebben, maar sinds anderhalve week is het dan zo ver: Piet Mondriaan is in Nederland tot het echelon der allergrootste kunstenaars doorgedrongen. Dat gebeurde, zoals bekend, niet door het verschijnen van de kilo's zware catalogue raisonné of door een grote tentoonstelling, maar door de aankoop van de Victory Boogie Woogie. Daarmee heeft Mondriaan eindelijk een rel die zijn naam op ieders lippen heeft gebracht: er wordt over zijn werk gedebatteerd, kabinetsleden rollen ruziënd door het torentje en de schilder wordt beledigd in ingezonden brieven - maar daarmee is hij wel definitief uit de studeerkamers en kunsthistorische bibliotheken gekropen. Uiteindelijk zal vermoedelijk blijken dat die heisa alleen maar in het voordeel werkt van Mondriaans reputatie. Wat dat betreft zijn kunstenaars net wasmiddelen: het maakt niet uit hóe er over ze gepraat wordt, als dat maar gebeurt - vraag maar aan Andy Warhol of Jeff Koons. Niet voor niets hielden alle kunstenaars die zich in brede populariteit mogen verheugen - Rembrandt, Van Gogh, Picasso, Dali - er een turbulent persoonlijk leven op na, dat hun werk van een verhaal voorziet. En dat was precies wat Mondriaan tot nu toe ontbeerde: zijn schilderijen mochten dan de hairspray-verpakking al hebben gehaald, in de ogen van het niet-kunsthistorisch geschoolde publiek bleef hij een dorre, bebrilde wiskundeleraar, die zijn dagen vulde met het trekken van rechte lijnen en het inkleuren van vierkantjes.

Uit het laatste nummer van het kunsttijdschrift Jong Holland blijkt dat Mondriaans postume pr-medewerkers (bijvoorbeeld die van de tentoonstelling in Den Haag in 1994) in dat opzicht nogal wat te verwijten valt: uit zijn persoonlijk leven is veel meer te halen dan tot nu toe is gebeurd. Het blad drukt de brieven en kaarten (vaak slechts kattebelletjes) af die Mondriaan over een periode van meer dan twintig jaar stuurde aan de Amsterdamse schilder Simon Maris. Uit de brieven, verzameld en geannoteerd door Paul Gorter, blijkt dat Mondriaan weliswaar niet zo'n begenadigd schrijver was als Van Gogh, maar ze stralen wel veel plezier en levenslust uit, zeker voor iemand die werd gefnuikt in zijn artistieke ambities en voortdurend kampte met geldgebrek. Zo schrijft Mondriaan in 1915 (hij is dan al 43) aan Maris dat hij door een vermogende kunstliefhebber is ingehuurd om voor 500 gulden in het Rijksmuseum een kopie te maken van het schilderij De jager van Adriaen C. Beeldemaeker. Ter vergelijking: bijna tien jaar later zou Maris (die ook kunsthandelaar was) aan verzamelaar Sal Slijper een echte Mondriaan verkopen voor 170 gulden.

Wat in deze brieven echter vooral opvalt, is hoe vaak Mondriaan vanuit Parijs schrijft over dansen. In bijna elke brief, zeker de vroegere, valt het woord wel een keer. Op 19 augustus 1915 bijvoorbeeld, als Mondriaan door de oorlog tijdelijk uit Parijs naar Amsterdam is verdreven, schrijft hij aan Maris: 'In Laren kan je anders leuk dansen, er is een klein Parijs bij Hamdorf. Tot nu toe heb ik geen geschikt meisje om meê te dansen kunnen vinden: ze zijn allemaal nogal dik, die binnen mijn bereik vielen! (-)' Of op 21 maart 1920, vanuit Parijs: 'Ik dans maar weinig omdat ik aldoor nog maar geen 'meisje' heb. Dat is te duur. Toen van Eck hier was heb ik zijn lessen meêgemaakt. Hij nam les in Tango enz. Ik heb dus alles doorlopen en weet 't op mijn duimpje. (-) De 'jazz' dansen ze hier niet: die is niet fransch.' En op 3 januari 1924: 'Wanneer komen jelui weer eens hier? Dansen jelui ook de 'blues' nu? Die is nog mooier dan de foxtrot heh?' In de brieven uit de jaren dertig nemen de opmerkingen over het dansen af - te vermoeden valt dat zelfs Mondriaan op zijn zestigste niet al te soepel meer bewoog.

Ook voor het overige geven de brieven aan Maris een sympathiek beeld van de schilder. Elk jaar opnieuw vergeet hij bijvoorbeeld de verjaardagen van Maris en zijn vrouw en verontschuldigt hij zich daar uitgebreid voor. Ook spreekt Mondriaan zijn bewondering uit voor seksbom May West: een 'reuzen vrouw' noemt de grondlegger van het neo-plasticisme haar. De schrijfstijl van Mondriaan mag dan niet allesverpletterend zijn (hij besluit een van zijn epistels met 'een poot van Piet') uit de brieven blijkt opnieuw dat de uitgave van zijn Verzamelde brieven veel goed werk zou kunnen doen bij het verbeteren van het begrip voor Mondriaans werk - ze zijn sowieso een plezier om te lezen.