Akira Kurosawa, cineast, overleden

ROTTERDAM, 7 SEPT. Hij wilde in ieder geval nog een film over Vincent van Gogh maken, verklaarde Akira Kurosawa vijf jaar geleden bij de première van de film die achteraf met een wel heel toepasselijke titel zijn laatste zou zijn: No, not yet (Madadayo). Iets anders doen dan films maken kon hij zich ook op hoge leeftijd en met een oeuvre van dertig films op zijn naam nog steeds niet voorstellen.

De gisteren op 88-jarige leeftijd in zijn woning in Tokio aan een hartaanval overleden Kurosawa (Tokio, 23 maart 1910) was de belangrijkste Japanse filmmaker van deze eeuw, regisseur van spectaculaire samurai-films als Kagemusha en Ran, die door zijn eigen stijl en handschrift zowel in eigen land als in Europa en de Verenigde Staten waardering en navolging oogste. Zijn grote doorbraak kwam met Rashomon (1950), een met flashbacks en wisselende perspectieven vertelde middeleeuwse moordgeschiedenis, die met een Gouden Leeuw op het filmfestival van Venetië en een Academy Award de eerste Japanse film was die internationaal werd bekroond. Kurosawa had in één klap Japan op de cinematografische wereldkaart gezet. In zijn kielzog vonden ook de films van bijvoorbeeld Shohei Imamura en Yasujiro Ozu een weg naar het buitenland. Tot zijn invloedrijkste films behoren verder The Seven Samurai (Shichinin no samurai, 1954), die in 1960 met The Magnificent Seven (John Sturges) een Amerikaanse versie kreeg en de komische samurai-film Yojinbo (1961). Hierin legde hij de grondslag voor het genre van de spaghetti-western. Sergio Leone kopieerde de film bijna letterlijk in zijn A Fistful of Dollars (1964).

Van zijn fascinatie voor Van Gogh had Kurosawa al vaker blijk gegeven. In de als zijn cinematografische testament beschouwde film Akira Kurosawa's Dreams (Yume, 1990) had hij zijn alter ego kennis laten maken met de schilder (gespeeld door Martin Scorsese), die hem als een magische leermeester binnenliet in de wereld van zijn schilderijen. Ondersteund door de visuele effecten van George Lucas' Industrial Light and Magic en gecoproduceerd door Steven Spielberg, twee van zijn prominentste Amerikaanse bewonderaars, toverde hij een overdonderende kleurenweelde op het witte doek, die zelfs Vincent van Gogh zou hebben doen duizelen.

Pagina 9: De keizer van de Japanse cinema

Kurosawa was de schilder onder de filmmakers. De 'visuele Shakespeare van onze tijd', zo omschreef Spielberg hem gisteren.

Een overweldigende, flamboyante stijl is een van de belangrijkste kenmerken van Kurosawa's films, evenals perfectionisme en oog voor detail. Geboren als jongste van acht kinderen in een traditioneel samurai-milieu, wilde hij aanvankelijk schilder worden. Nadat hij was gezakt voor zijn toelatingsexamen aan de kunstacademie, trad hij in 1936 in dienst van de Japanse staatsfilmstudio's. De storyboards van zijn films zou hij zijn leven lang als complete schilderijen blijven uitvoeren. Als assistent van met name Kajiro Yamamoto leerde hij de technische kanten van het filmvak en al snel nam hij de regie van complete filmscènes op zich.

Toch zou het nog zeven jaar duren voordat Kurosawa in 1943 zijn eerste zelfstandige film schreef en regisseerde (scenario, regie en montage waren voor Kurosawa de drie-eenheid van de filmkunst). Judo Saga (Sugata Sanshiko) is een ruig en realistisch portret van de Japanse judowereld, dat door zijn openlijke seksualiteit en controversiële politieke strekking door de nationalistische censors drastisch werd ingekort.

In zijn films richt hij zich op een crossover van traditionele Japanse waarden als eergevoel en opofferingsgezindheid en het humanisme van schrijvers als William Shakespeare (Kumonosu jo uit 1957, naar 'Macbeth' en Ran uit 1985, naar 'King Lear'), Fjodor Dostojevski (The Idiot/Hakuchi, 1951) en Maxim Gorki (The Lower Depths/Donzoku, 1957). Maar ook genreconventies uit de western en de detective verwerkte hij moeiteloos. Door zijn films in een historische setting te plaatsen gaf hij zichzelf de vrijheid om de, vaak zeer gewelddadige, gedragspatronen van mensen te analyseren. Een ander soort film uit de voor Kurosawa artistiek zo vruchtbare en commercieel zo succesvolle jaren vijftig en zestig was de sprookjesachtige avonturen-komedie The Hidden Fortress (Kakushi toride no san akunin, 1958), waarvan George Lucas heeft gezegd dat deze film hem heeft geïnspireerd tot het maken van zijn Star Wars-epos.

Aan het einde van de jaren zestig liep de belangstelling voor Kurosawa's films, mede onder druk van de toenmalige malaise in de Japanse filmindustrie, tijdelijk terug. Toen hij na vijf jaar van afwezigheid zijn eerste kleurenfilm presenteerde, het sociaal bewogen, maar voor een gering budget geproduceerde Dodes'ka-den (1970) was zijn teleurstelling dan ook groot dat de film niet de verwachte erkenning kreeg. Zijn rol als filmmaker leek in Japan uitgespeeld.

Successen in onder meer Nederland, waar hij in de persoon van Huub Bals een gedreven pleitbezorger vond, Europa en de Verenigde Staten konden niet voorkomen dat Kurosawa in een depressie raakte en een zelfmoordpoging deed.

Het zou vijf jaar duren voordat hij weer een film regisseerde. Op uitnodiging van het Sovjet-regime maakte hij in de Mosfilm-studio's Dersu Uzala (1975), een groots opgezette, op 70mm gedraaide, poëtische film over de vriendschap tussen een goudzoeker en zijn gids in het barre Siberië. Het zou hem zijn tweede Oscar opleveren. Kurosawa werd daarmee de enige regisseur die twee keer een Academy Award voor beste buitenlandse film in de wacht wist te slepen. In 1990 ontving hij bovendien een ere-Oscar voor zijn gehele oeuvre. De 'keizer van de Japanse cinema' werd Kurosawa zowel gekscherend als eerbiedig genoemd.

Na Dersu Uzala zou de altijd met zonnebril en pet getooide regisseur nog twee van zijn belangrijkste films maken, het samurai-epos Kagemusha (1980) en de schitterende, in het feodale Japan gesitueerde King Lear-verfilming Ran (1985).

'Neem mij, denk mijn films weg en er blijft niets over', placht hij graag over zijn toewijding aan de filmkunst te zeggen. Gelukkig zijn er nog dertig Kurosawa's over om ons hem te herinneren.