Sukkels (1)

In NRC Handelsblad (Z 29 augustus) wordt de moeizame verhouding tussen krijgsmacht en politiek doorgelicht. Brigadegeneraal b.d. Tomasso merkt naar aanleiding van de jongste commotie over 'Srebrenica' op, dat de schuldigen naar de schuldigen zoeken. Politici droegen immers de verantwoordelijkheid voor het aanvaarden van de in feite onuitvoerbare Srebrenica-opdracht. Dit moet onze politiek extra zwaar worden aangerekend aangezien geen lering werd getrokken uit het UNIFIL-debacle.

Destijds nam een ander - aan onze defensieve NAVO-verplichting onttrokken - Dutchbat in Libanon een in wezen even ireële VN-taak (van Frankrijk) over. Israel stond immers niet toe dat UNIFIL zijn mandaat tot aan de Libanees-Israelische grens ging uitoefenen. Op 6 juni 1982 werd Dutchbat tijdens Sharons invasie van Libanon door het Israelische leger doorschreden. Zo een vernedering zouden Israeliërs - of later Serviërs - Amerikanen of Fransen nooit hebben durven aandoen. Die zouden in hun nationale eer zijn gekrenkt en zich genoodzaakt hebben gevoeld een passend strategisch antwoord te geven.

Defensieminister Van Mierlo heeft zich destijds in het Libanese Harris uitvoerig door een in zijn trots aangetaste commandant Dutchbat en zijn staf op de hoogte laten stellen. Vele politici leken tien jaar later de Libanon-frustratie, zo die al tot hen was doorgedrongen, te zijn vergeten. De Koude Oorlog was voorbij en voor de ingekrompen krijgsmacht zocht men, binnen het kader van een ideëel wereldbeeld, nieuwe taken. Eigenlijke en oneigenlijke peace-keeping taken (met een minimale kans op eigen verliezen) stonden daarbij voorop. Peace-enforcement taken (met een grotere kans op eigen verliezen) kwamen niet aan de orde. Ook in de politiek geldt echter, dat zachte (mondiale) heelmeesters stinkende wonden maken. Het drama te Srebrenica werd daarvan het nieuwe bewijs.

In 1991 werden tijdens de Golfoorlog enkele ondersteunende taken uitgevoerd. De uitdaging om - uiteraard op bescheiden niveau - aan de operatie zelf deel te nemen werd niet aangegaan. De kans om de Nederlandse politieke geloofwaardigheid en de goede naam van onze krijgsmacht internationaal op te waarderend werd zo gemist. Het door Nederland later kansrijk solliciteren naar internationale topfuncties werd er zeker niet door bevorderd.