Schaamteloze onkunde

Internet maakt depressief. Deze constatering was vorige week voorpaginanieuws. HomeNet, een studiegroep van de Amerikaanse Carnegie Mellon universiteit in Pittsburgh, onderzocht het Internetgebruik van 73 gezinnen en kwam tot de conclusie dat de 169 betrokken proefpersonen allemaal eenzamer en ongelukkiger waren geworden sinds ze online zijn. 'Researchers find sad, lonely world in cyberspace', kopte de New York Times op de voorpagina.

Gesuggereerd wordt dat Internetgebruik leidt tot 'poorer psychological well-being', zoals de onderzoekers het uitdrukken. Waarom mensen ongelukkig worden van Internet maakt de studie niet duidelijk. Journalisten zijn klaarblijkelijk ook niet geïnteresseerd in de redenen van Internetdepressies. Vrijwel alle bekende nieuwsstations en kranten namen het persbericht van de onderzoekers klakkeloos over.

De digitale geschiedenis herhaalt zich. Al eerder was een onbetrouwbaar onderzoek van de Carnegie Mellon universiteit aanleiding voor een media-hype. Drie jaar geleden opende het tijdschrift Times met een spectaculair verhaal over cyberporno. Op basis van het onderzoek van student Martin Rimms schreef Times-redacteur Philip Elmer-DeWitt On a screen near you: cyberporn, een onheilspellend artikel over porno op de digitale snelweg. Volgens Elmer-DeWitt is er zoveel porno op Internet dat er sprake is van een sociale en morele crisis.

Terwijl veel journalisten het nut van Internet nog steeds in twijfel trekken, hebben ze er geen moeite mee de normen van journalistieke zorgvuldigheid uit het oog te verliezen als ze over het nieuwe medium schrijven. Het is blijkbaar makkelijker om het medium de schuld te geven van eenzaamheid en zedelijk verval dan de oorzaak elders te zoeken.

Wie de tijd neemt beide onderzoeken van de universiteit van Pittsburgh kritisch te lezen, vallen de methodologische tekortkomingen direct op. De onderzochte groep in de HomeNet-studie vormt geen doorsnee van de bevolking; het gaat slechts om gezinnen uit Pittsburgh. Daarnaast maakten de proefpersonen vooral gebruik van e-mail en chat voor persoonlijke contacten. Deze beperkingen sluiten algemene conclusies als 'Internetgebruik leidt tot depressieve gevoelens' uit. Als ook alleenstaande gehandicapten uit San Francisco, samenwonende homostellen uit Johannesburg of informaticastudenten uit Delft waren ondervraagd over hun Internetervaringen zouden de resultaten van het onderzoek er heel anders hebben uitgezien.

Martin Rimms onderzoek naar online-porno richtte zich expliciet op 72 commerciële bulletin board systems voor porno. Zijn conclusie dat vrijwel alle afbeeldingen die hij daar heeft aangetroffen van pornografische aard zijn mag dus nauwelijks verbazing wekken. De gretigheid van Time, gepaard aan schaamteloze onkunde, om porno bulletin boards gelijk te stellen aan Internet is veel schokkender dan de aanwezigheid van bloot op computernetwerken.

Verbazingwekkend is ook Elmer-DeWitts bewering dat Rimm bijna 1 miljoen pornoplaatjes heeft onderzocht. In werkelijkheid heeft Rimm slechts een klein deel van de afbeeldingen daadwerkelijk onderzocht. Verder is hij op de titelbeschrijvingen afgegaan. Dit zegt Rimm gewoon in zijn onderzoek. Een plaatje dat 'young girls doing it outdoors' heet kan best een paar geklede dames op leeftijd op weg naar de supermarkt bevatten.

Het research team waar Rimm zich veelvuldig op beroept in zijn onderzoek bestaat niet. Een simpel telefoontje naar de universiteit was genoeg geweest om te leren dat Rimms studie naar cyberporno een eenmansactie was.

On a screen near you: cyberporn leverde zoveel kritiek op van onderzoekers en Internetactivisten, de laatsten zagen in het artikel vooral koren op de molen van conservatieve politici, dat Elmer-DeWitt zich genoodzaakt zag in een ander artikel toe te geven dat het onderzoek van Rimm niet deugde.

HomeNet-onderzoek: homenet.andrew.cmu.edu/progress/ HN.impact.10.htm

Cyberporno-onderzoek: TRFN.pgh.pa.us/guest/mrstudy.html