Invloed van christen-democratie ebt weg; Kohl is niet de enige oorzaak van het komende verlies van de CDU

De Duitse christen-democraten zitten in een politiek dal. Volgens Franz Walter ligt dat niet aan bondskanselier Kohl of aan de leiding van de partij, maar aan de erosie waaraan de hele Europese christen-democratie blootstaat.

De CDU zal de Bondsdagverkiezingen niet met grote cijfers verliezen. Waarschijnlijk zullen de twee volkspartijen elkaar uiteindelijk weinig toegeven. Maar een overwinning van de christen-democraten zullen wij op de avond van 27 september niet beleven. Dan eindigt het 'tijdperk-Kohl'.

Dat ligt niet alleen aan het feit dat men 'de dikkerd uit Ludwigshafen' niet meer kan luchten of zien. Het ligt ook niet in de eerste plaats aan de strategische misgrepen van 'pastoor Hintze' (een spotnaam voor Peter Hintze, de secretaris-generaal van de CDU). Zelfs het verwarde debat over wie Kohl moet opvolgen, is niet de voornaamste oorzaak van de malaise waarin de CDU verkeert. De sluipende aantasting van de macht van deze partij is al eerder begonnen - vroeg in de jaren tachtig.

De erosie treft niet alleen de CDU, maar alle christen-democratische partijen van Midden-Europa. Die verliezen alom sedert jaren onafgebroken en in hoog tempo stemmen en invloed. In dat drama heeft de CDU zich nog vrij goed staande gehouden, maar ook die partij heeft in de afgelopen vijftien jaar bij landelijke en deelstaatverkiezingen zo'n acht procentpunten verloren. De achteruitgang van de christen-democraten is vele politieke waarnemers ontgaan. In de politieke commentaren werd de 'eeuw van de sociaal-democratie' vaarwel gezegd, waarbij echter in alle ijver het einde van het christen-democratische tijdperk over het hoofd werd gezien.

De late jaren veertig en de jaren vijftig waren de hoogtijdagen van de christen-democratische partijen. De wederopbouw van de in puin liggende Europese samenlevingen is hún werk geweest. Zij waren de grote tegenstrevers van het expanderende communisme. Hun katholieke partij- en regeringsleiders - de Italiaan Alcide De Gasperi, de Fransman Robert Schuman, de Luxemburger Joseph Bech en de Duitser Konrad Adenauer - waren de architecten van de Europese integratie. Van die historische rol hebben de christen-democraten jarenlang geprofiteerd. En hún goede jaren waren ook goede jaren voor hun landen en voor Europa.

De christen-democratische partijen werden de eerste volkspartijen uit de Europese parlementaire geschiedenis. Zij verenigden middenstanders, arbeiders en boeren, en brachten zo rust in de samenleving. Hun politici moesten maatschappelijke tegenstellingen gladstrijken, tussen uiteenlopende belangen bemiddelen en telkens weer de uitwaaierende draden in het midden samenbinden. Christen-democraten waren pragmatische politici, managers, gingen zeer flexibel te werk, waren tegelijkertijd sociaal en conservatief, en waren gematigde aanhangers van zowel de markt als de verzorgingsstaat. Hun partijen stonden in het middelpunt van de politiek, bij de vorming van regeringen en coalities draaide alles om hen. In de gouden jaren slaagden zij erin het politieke midden te bezetten en het maatschappelijke midden na tientallen jaren van versnippering te herenigen. In die tijd behaalden de christen-democratische partijen, de kleine Zwitserse CVP uitgezonderd, over de gehele linie grandioze verkiezingsuitslagen tussen de veertig en vijftig procent - in Luxemburg, België, Nederland, Oostenrijk, Italië en ook in Duitsland.

Maar in de jaren zeventig was het afgelopen. De secularisering trok diepe voren in de Europese naties. Vooral de tot dan toe stabiele katholieke wereld kalfde sterk af. Binnen enkele jaren daalde het aantal kerkgangers in de meeste landen met meer dan de helft. Zelfs in voorheen door en door katholieke gebieden verdwenen de kerkelijke rituelen uit het dagelijks leven. Daarmee vielen ook de banden met de christelijke partijen weg.

In Nederland stemde in 1963 nog 84 procent van de katholieken op de Katholieke Volkspartij, in 1972 was dat nog maar 36 procent. In België is tussen 1961 en 1968 het aandeel van de katholieke christen-democratische partijen met 10 procentpunten gedaald. In Frankrijk heeft de katholieke MRP zich in 1967 opgeheven. In andere landen waren de ontwikkelingen in de christen-democratische partijen net zo deprimerend.

De CDU wist als enige de verliezen als gevolg van de secularisering te compenseren. Alleen de Duitse christen-democraten waren namelijk voor een aanzienlijk deel protestants, en daardoor veel burgerlijker en antisocialistischer dan hun zusterpartijen elders, die veel sterkere sociaal-katholieke wortels hadden en die dikwijls met de sociaal-democraten samenwerkten. De CDU heeft zich sedert de tweede helft van de jaren vijftig onder Konrad Adenauer ontwikkeld tot de grote, interconfessionele verzamelpartij van de Duitse burgerij. Haar tegenstanders waren het communistische en het sociaal-democratische socialisme. De strijd tegen het linkse kamp verenigde de sinds 1933 versnipperde Duitse burgerstand, te meer doordat de Bondsrepubliek aan de frontlijn lag. Zo lukte het de CDU de geseculariseerde groepen kiezers te behouden. Daarbij profiteerde zij van de troebelen van 1968 en de daarop aansluitende herideologisering van de SPD. Terwijl haar zusterpartijen elders in Europa hun aanhang zagen slinken, won de CDU in enkele jaren honderdduizend nieuwe leden onder de angstig geworden burgerij.

Uiteraard is de teruggang van het katholicisme ook aan de CDU niet voorbijgegaan. De katholieke wereld werd kleiner en raakte versplinterd. Het was niet meer zo dat iedere katholiek blindelings op de CDU stemde. De Katholikentage - voorheen forums waarop christen-democratische politici zich lieten toejuichen - werden gevarieerde politieke evenementen. Ook het Centraal Comité van de Duitse katholieken was niet langer een pressiegroep voor politici van christen-democratische signatuur, maar transformeerde zich tot een orgaan waarin over controversiële zaken werd gedebatteerd.

In de jaren tachtig en negentig kregen de Europese christen-democraten de genadeslag. De burgerij herschikte zich. Een deel van de academici stemde voortaan groen. Een ander deel sloot zich aan bij de neoliberale campagne van Ronald Reagan en Margaret Thatcher. Daarvan profiteerden liberale partijen met radicale opvattingen over de markt. Bovendien stapte een aantal minder ruimdenkende burgers, die zich aan de stromen immigranten stoorden, over naar rechts-populistische, door welvaartschauvinisme gedreven protestpartijen. En dan implodeerde ook nog het Oost-Europese staatssocialisme, waarmee de laatste verbindende factor, de vijand die de Midden-Europese burgerij tot eenheid had gebracht, wegviel.

Sedertdien bevinden de christen-democratische partijen in Europa zich in een duikvlucht. In Zwitserland heeft geen andere partij in de jaren negentig zo veel stemmen verloren als de Christlich-Demokratische Volkspartei, die kiezers verspeelde aan rechtse populisten en aan liberalen. Op de linker- en rechtervleugel van de partij hebben zich afsplitsingen voorgedaan. Er is al sprake van een mogelijk samengaan met de liberalen. Ook in België hebben vooral de liberalen geprofiteerd van de bressen in het christen-democratische bolwerk, en in Nederland is het niet anders. Meer dan zeventig jaar lang hebben daar de christelijke partijen geregeerd, vele jaren op basis van meer dan de helft van de stemmen. Intussen zit het CDA op een miserabele 18,4 procent, terwijl de liberalen met 33,7 procent het grootste politieke kamp vormen. In Oostenrijk heeft Jörg Haiders variant van het liberalisme de vroeger zo grote, leidende ÖVP gedegradeerd tot een middenpartij met een aanhang van nog maar 28 procent. Het zwaarst is ten slotte begin jaren negentig de eens zo roemrijke Democrazia Cristiana in Italië getroffen. Die is volkomen weggezonken in een moeras van omkoopschandalen, en had trouwens al eerder de Noord-Italiaanse burgerij grotendeels verloren aan de Lega Nord.

Deze tweede golf heeft de christen-democratie ondermijnd en ook de CDU niet onberoerd gelaten, zij het dat de klap daar minder hard is aangekomen dan in andere landen. In Duitsland vormen de liberalen geen concurrenten van betekenis voor de CDU, en een serieus te nemen rechts populisme heeft onder de burgerij al evenmin voet aan de grond weten te krijgen. Toch hebben ook de Duitse christen-democraten de laatste jaren heel wat te stellen gehad met de versnippering van de burgerstand. De bloedgroepen van de CDU vallen in nauwelijks met elkaar verenigbare culturen uiteen. Sommige staan ingrijpende moderniseringen voor, andere bestaan uit benauwde burgermannetjes, en weer andere uit ethisch bewogen sociaal-katholieken. Politiek gezien zitten ze allang niet meer op één lijn. Door dit alles is ook de gemeenschap van christen-democratische kiezers in Duitsland de afgelopen vijftien jaar steeds verder afgebrokkeld, is de CDU regionaal en lokaal uit het centrum van het partijstelsel verdreven, en heeft zij ook op deelstaatniveau aan macht ingeboet.

De Europese zusterpartijen van de CDU hebben niets onbeproefd gelaten om nieuwe kiezers te winnen. Sommige vestigden hun hoop op een streng katholieke koers, en andere hebben met neoliberale recepten geëxperimenteerd, terwijl ook wel eens een grove populistische toon werd aangeslagen. Het heeft allemaal niets uitgehaald. Wat aan de ene kant gewonnen werd, ging aan de andere kant weer verloren. Tot echte groei is het nergens gekomen. Het integrerend vermogen van de Europese christen-democraten is beslist niet helemaal verdwenen, maar wel aanzienlijk verzwakt.