Hoge prijs

De Nederlandse belangenvereniging Coaches Betaald Voetbal (CBV) reageerde een tikje zuur. “De komende twee jaar mag hij oefenen”, hikte directeur Jan Reker. Hij vond het ook een “absolute handicap” dat Rijkaard nog nooit trainer is geweest bij een club. Voor het overige

legde de CBV zich neer bij de aanstelling van de oud-voetballer als hoofdcoach van het Nederlands elftal. Rijkaard is én Nederlander én gediplomeerd: het adagium 'eigen volk eerst' is dus gerespecteerd. Dan is voor de CBV de kous af.

Diep in hun hart vinden de gereputeerde coaches de promotie van Frank Rijkaard tot bondscoach natuurlijk een crime. Een snotneus aan het

roer van Oranje, terwijl zij bij Willem II, Heerenveen of Roda ziel en zaligheid moeten aanspreken om een vleugelverdediger vooruit te branden,

dat hakt er diep in.

Voetbal is een hiërarchische wereld. Een trainer aanstellen die jonger is dan Danny Blind wordt ervaren als een hold-up op de verzamelde

ego's van de dug-out. Er staan Frank Rijkaard nog Afrikaanse palavers te

wachten als straks de clubs hun spelers moeten inschikken voor een oefenwedstrijd van het Nederlands elftal. Ik voorspel een paar geniepige

boycotacties. Gelukkig zijn de coaches van Ajax, PSV en Vitesse buitenlanders en is Beenhakker van Feyenoord een halve buitenlander, anders was er niet aan te beginnen.

Weet Frank Rijkaard wel waar hij aan begonnen is? Zijn diepste verlangen

was altijd om er niet te zijn. Althans om niet gezien te worden. Zo voetbalde hij ook: eenvormig met de groep. Met excuses voor momenten van

individuele schittering. Bij Ajax liet hij onvolgroeide jongens als Vanenburg en Olsen 'het mannetje' spelen. Bij Milan mochten Van Basten en Gullit zich spiegelen aan de camera - hij stond erbij en keek ernaar.

Bijna in een bodyguard-achtige houding. En bij het Nederlands elftal had

hij nooit iets toe te voegen aan de eeuwige wijsheid van Jan Wouters en Ronald Koeman. Dwars door alle glorie van een carrière heen bleef

hij in het schuurtje zitten waar hij als puber luisterde naar de muziek van REM. In z'n eentje.

Niet dat ik meteen een karatesprong verwacht, maar de coach Rijkaard kan

niet onopgemerkt blijven. Hij zal aan de zijlijn tekens van leven moeten

geven. Misschien wel een enkele keer moeten dansen van woede of op zijn minst met een wegwerpgebaar uitpakken. Spugen mag niet. Monkelend mijmeren op de bank, wat Van Hanegem doet, kan bij AZ maar niet bij het Nederlands elftal. Happel had als coach van Oranje ook meer lijf en ledematen dan als trainer van Club Brugge. Natievoetbal is een passioneel drama en dan kun je als dienstdoende coach niet toekijken met

een lolly in de bek.

De voetballer Rijkaard kon zich op het veld soms minutenlang wegdromen. Naar een wereld zonder bal en zonder zweet, verzonken in een bootje op het meer. Dan was hij er even niet. De luxe van een mentaal zijsprongetje tijdens de wedstrijd: finito. Coaches hebben de onrustigste ogen van ons allemaal. Niets mag hen ontgaan. Negentig minuten lang concentratie is hun lot. Anticiperend denken over bal en man en terzelfdertijd de gezichten van de tegenstander blijven lezen. Daar kan geen flard musette tussen, geen groet aan het meisje, geen speelse gedachte aan het laatste personeelsfeestje in de Zeister bossen.

Kortom, Frank Rijkaard moet zijn dromerig gemoed opheffen.

Het is een hoge prijs. Daar komt nog bij dat hij moet verhuizen. Van Monaco naar de polder. Behalve voor het sterfbed van je vader doe je daar eeuwen over, en Frank heeft half oktober al zijn eerste wedstrijd. Vanwaar toch die keuze voor ontreddering en ontregeling? Waarom de zachte wereld van het ondergoed verlaten voor de ruige hoon van de tribune? Wat doet deze zachtaardige poëet zichzelf aan? Met zijn 73

interlands was Rijkaard een van de meest gelauwerde spelers uit de geschiedenis van het Nederlandse voetbal. Oranje zat dus. Meer is er in die kleine heimat voor een mensenleven niet weggelegd.

Het beeld schrijnt nu al: op een dag zal Frank Rijkaard met het hoofd tussen de schouders door de catacomben lopen. Alleen. In de regenjas van

Leo Beenhakker.