Het grote thuiskomen; De neo-imperialistische droom van randstedelingen in Brabant

Ze zoeken er oorspronkelijkheid en een langgevelboerderij. Ze vinden meestal een vrijstaand geschakelde woning en een slap kopje erwtensoep. Jaarlijks trekken veertienduizend randstedelingen naar Brabant. 'Om het streekeigene nog een beetje in stand te houden.' Brabant is een imaginair museum geworden.

Voor de elfde van de elfde schreef Ditte Pieters een carnavalskraker. Simone, waar zijn je siliconen? Ze mocht het nummer zingen tijdens het loeiersfestijn in Veghel. Met zeven andere dorpsgenoten stond ze in café De Gouden Leeuw. Ze had zelf een fluwelen jurk gemaakt en een Madonna-bh. Haar hele familie was naar het Zuiden gekomen om in polonaise te kunnen hossen. Uitbundig met een plastic bekertje bier. Ditte straalde. Ze voelde dat haar act overal bovenuit stak. Maar ze eindigde als laatste. Nooit voelde ze zich onbrabantser dan die avond.

Tobias Lips neemt elke doordeweekse ochtend om 7.16 uur in Breda detrein naar Den Haag. Om uiterlijk 7.09 uur stapt hij de roltrap op enloopt dan 25 grote stappen naar de voorkant van het perron. Dan heeft hij misschien nog een stoel. De forensentrein Venlo-Den Haag CS is een van de langste intercity's van Nederland: negen rijtuigen met 887 zitplaatsen. Drie jaar geleden verliet Lips de Haagse Staatsliedenbuurten kocht een langgevelboerderij in Teteringen. Gevallen voor de geur van vermalen maïs, vuur en lindebomen na de regen. Hij werkt fulltime bij Shell.

Gemiddeld veertienduizend Randstadbewoners trekken jaarlijks vanaf begin jaren negentig met vage rustieke verlangens naar Noord-Brabant. Dat blijkt uit de binnenlandse migratiecijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Ze zien één keer de zon ondergaan boven het hoge maïs; diepe karrensporen in het zandpad. Ze eten een AAA-menu (Ansjovis uit het Markiezaat, Asperges en Aardbeien) op het terras van het Bourgondisch café in Bergen op Zoom. Ze stuiten op een wedstrijd parapluhangen in Esbeek of dwalen een hele middag over de hei bij Leende zonder de snelweg te horen. En ze smelten bij zoveel authenticiteit. Ze zijn hoog opgeleid, maar laten zich emotioneel overreden - al ligt er dikwijls toch een economische wetenschap aan hun besluit ten grondslag.

In de vorig jaar verschenen bundel Brabant Ongemonteerd signaleert landschapsarchitect Dirk Sijmons een nieuw regionalisme. “Plaatselijke specialiteiten zoals bloedworst verschijnen weer op de menukaart. De historische namen van de verschillende streken zoals de Baronie van Breda, de Meierij van 's-Hertogenbosch, de Kempen, het Land van Cuijk wordengeleidelijk herontdekt. Het zijn vaak eeuwenoude benamingen die zijn vervangen door de zakelijke geografische indeling van Noord-Brabant in West-Brabant, Middenbrabant.” Het 'eigene' wordt weer gewaardeerd.

“Hoe discutabel dit geromantiseerde beeld ook is, het regionalisme stoelt op een wezenlijke behoefte. Tegenover de toegenomen actieradius van de meeste mensen staat een groeiende behoefte aan geborgenheid die je zou kunnen vangen onder de noemer vanhet grote thuiskomen'.”

Mikzegeltjes

Als de Brabanders het zelf niet doen, werpen de randstedelingen zich op als beschermers van het streekeigene. “Om de cultuur nog een beetje in stand te houden”, zegt Thomas Lips. Ze maken een reconstructie van de authentieke plaatselijke cultuur en eigenen die zich toe. Ze trakteren hun vrienden van 'boven de sloot' op ouwe wievenkoek of zult en steken een kaarsje op in het Mariakapelletje.

Socioloog Piet de Kroon, directeur van het sociaal culturele onderzoeksinstituut voor Noord-Brabant PON, signaleert een protectionistische houding onder nieuwkomers. “Ze kopen een huis in Brabant met meer dan vijf kamers en veertien meter tuin en gaan vervolgens in actie tegen uitbreiding van hun wijk. Onder het motto: 'Houd Brabant voor ons eigen'.”

Vijf jaar geleden kwam De Kroon in de Tilburgse buitenwijk Reeshof wonen. Een stad in een stad die over een jaar of vijf veertigduizend inwoners telt. De boompjes zijn er driemeter hoog. 's Morgens om acht uur rijden de middenklassers in kolonne naar het stadscentrum, 's middags om half zes komen ze weer terug, voorzichtig manoeuvrerend langs fly overs en bussluizen.

De Kroon groeide op in het Westbrabantse dorp Made bij de Biesbosch. In de jaren daarna woonde hij in Leidschendam. Hij zag zichzelf nog weleens in gedachten over de zandpaden van zijn jeugd lopen, maar toen hij na 35 jaar terugkeerde, was er bij het buurdorp Drimmelen een grote jachthaven aangelegd. “Het dorp is van Gemeinschaft veranderd in Gesellschaft. Dat geldt voor heel Brabant. Het autobezit is hier het hoogst van Nederland, er loopt een infrastructurele corridor van de Randstad langs de Brabantse steden naar het Ruhrgebied. En er wonen 457 inwoners op elke vierkante kilometer. Het landelijk gemiddelde is 452.”

De economische groei is in Brabant eenderde hoger dan in de rest van Nederland. Vorig jaar telde de provincie 837.500 fulltime arbeidsplaatsen. De werkgelegenheid groeit het hardst in de commerciële dienstverlening en de bouw. Met name in het oosten, rond Helmond en Eindhoven. De gelukzoekers vestigen zich niet in de kerkdorpen uit de romans van Antoon Coolen. Daar mogen alleen nog autochtonen en buitenstaanders met economische binding binnen de gemeentegrenzen bouwen.

Dat is de eerste tegenvaller: ze kunnen terecht in de 'landelijk-suburbane milieus'. Daar geldt volgens de verkenningen van het Directoraat-Generaal voor de Volkshuisvesting de ruimte als 'aantrekkelijk kenmerk om woonmilieus op maat te scheppen'. Van de nieuwelingen in 1997 vestigde driekwart zich in stedelijke gemeenten. In nieuwbouwwijken als Dierdonk (Helmond) en Blixembosch (Eindhoven), die net zo goed in Houten of Lelystad hadden kunnen liggen.

Langzaam verandert Brabant in de Zandstad, zoals de Rijks Planologische Dienst twee jaar geleden voorspelde in de nota Kansen voor de Randstad. Volgens dit scenario neemt de druk op de woningmarkt in de Randstad af als in korte tijd op grote schaal in Brabant wordt gebouwd. De provincies Noord- en Zuid-Holland en Utrecht kunnen zich dan beperken tot 'kwaliteitswoningbouw'.

Lunchtijd. Achter de toonbank van cafetaria De Jachthaven staan twee jongens broodjes kaas te smeren. De zaak staat vol met werknemers van Cehave veevoeders en zuivelfabriek Campina, de grootste bedrijven van Veghel. Echte Brabanders dus? Toch niet, van de achttien klanten komen er drie uit de buurt. De rest is import, zoals Randstedelingen in Brabant heten. “Ze wonen hier wel, maar ze horen hier niet”, zegt een Veghelaar. Hij meent het niet zo kwaad. Ze eten geen friet zoals wij, maar patat met een harde g, zegt hij. “Patatje oorloggggg.”

Veghel is nooit een boerendorp geweest, zoals de omliggende dorpen. In Veghel werd gehandeld in gemeste kalveren, boter en bouwmateriaal. Er werd leer gelooid en linnen geweven. Ron Willems (31) groeide er op en voetbalde bij S.V. Blauw-Geel 38. Tegen de boeren van Erp en Eerde en tegen het gehate Uden. “Van Uden wilde je winnen, want die speelden hoger.” Nog steeds heten Veghelaars 'kakkers', omdat ze uit de hoogte doen. Ze heulen met de Hollanders.

Elk jaar komen er zo'n tweehonderd buitenstaanders in Veghel wonen. “Autochtonen zijn hier niet zo monomaan. Dat is het verschil met bijvoorbeeld de Zeeuwse eilanden waar een vreemdeling een vreemdeling blijft”, zegt burgemeester Keijzer. Het is alleen jammer dat het wegennet rond het stadje zo slecht is, vindt hij. Dat houdt nieuwe werknemers van boven de rivieren tegen. De A50 van Oss naar Den Bosch is bijna klaar. “Maar de weg Tilburg-Den Bosch is een kerstboom van stoplichten en de Zuidwillemsvaart ziet er nog zo uit als Willem I hem heeft gegraven.”

Op zaterdagavond gaan de jongens uit Veghel in witgestreken overhemden naar Gemert, dansen in Time Out. In Veghel kun je niet uit. Het is een stad van lunchrooms en cadeaushops, makelaars en uitzendbureaus. Het ruikt er naar gegrilde kip. De bakker heet Brabantse bakker - je kunt er gratis mikzegeltjes sparen - de Volvo-dealer Brabantse Automobiel Service. Maar de mik is tegenwoordig een pandabrood en het Brabantse van Veghel is moeilijk meer te benoemen. Ditte Pieters (38) moet er in elk geval een hele tijd over nadenken.

“Mensen nemen de tijd voor je. Ik moest pas geleden met de bus naar Den Bosch en van daaruit naar Best. Zonder dat ik erom vroeg, zocht de chauffeur bij wie ik instapte de overstaptijden op in zijn dienstregeling. Terwijl de bus vol zat met wachtende passagiers. Je voelt een weldadige vertraging van het leven. Ook op zaterdagochtend bij de bakker.”

Volgens socioloog Piet de Kroon ervaart lang niet iedere buitenstaander die vertraging als een weldaad. Hij spreekt van de Brabantsetijdsparadox. “Tegen vrienden en familie spreken ze met vertedering over het lage tempo en het 'Brabants kwartierke'. Maar als ze in de rij bij de bakker staan en een klant praat even bij met de bakkersvrouw, ergeren ze zich mateloos. Wie durft er beslag te leggen op hun tijd?”

“Gemoedelijk is het. Dat woord zocht ik”, zegt Ditte. “Hoewel, dat is een enorm Brabants cliché hè?”

Negen jaar geleden verhuisde Ditte uit Rotterdam naar de Meierij. Achter haar Veghelse vriend aan die ze via een contactadvertentie had leren kennen. Ze is inmiddels van hem gescheiden en woont met haar zoon en dochter in wijk De Bunders. In een licht vijf-kamerhuurhuis met voor- en achtertuin voor 650 gulden per maand. “Alleen een bijstandmoeder in Brabant kan zo wonen. Boven de rivieren zou ik op een flatje zitten.”

“Weet je wat Brabanders missen?” roept ze uit de keuken. “Humor. Ze zijn zóóóó serieus. Ik maakte een grapje tegen de loodgieter over mijn uitkering. Hij schrok ervan. Dat soort zaken hoor je kennelijk voor je te houden. Dan denk ik: ik zal hen nooit helemaal begrijpen en zij mij niet. Tobias Lips (35) rekende op wederzijds begrip. Vroeger logeerde hij elke zomer bij zijn grootouders in Budel. “Het was er als in de film Novecento. We haalden rauwe melk bij de boer en later zoende ik diens dochter in de stal. Hij was laaiend toen hij het zag. En dat vond ik nog heerlijker dan die kus, want hij was op dezelfde manier laaiend op de jongens die zijn boomgaard plunderden. Ik was een van hen. Dat gevoel heb ik de afgelopen drie jaar nog nooit gehad.”

Het gezworen pact dat Brabantse dorpsbewoners eeuwen geleden met elkaar sloten, is verbroken, volgens Lips. Zomaar terloops. “De mensen hier waren 25 jaar geleden nors tegen buitenstaanders en op een cynische manier vriendelijk tegen elkaar. Nu lijken ze welwillender, servicegericht bijna, maar ik krijg geen hoogte meer van hun intenties.”

Volgens cultuurfilosoof Paul Kuypers is de ideologie van het regionalisme geromantiseerd en vals. Zij veronderstelt een harmonische, organische maatschappijstructuur die niet bestaat. Brabant is een imaginair museum. En toch is het juist dat eigene dat imperialisten uit het Anderlant zo aanspreekt. De buitenstaanders van Veghel doen hartelijk mee aan het dorpsleven, valt burgemeester Keijzer op. “Hoe Brabantser de vereniging, hoe enthousiaster nieuwkomers zich als bestuurslid aanbieden.” Ze tasten de oorspronkelijke cultuur niet aan, ze dragen ertoe bij. Traditionele dorpsorganen als het schuttersgilde Sint Barbara, de twee fanfares en heemkundekring Vecchele zijn door de toewijding van de import zelfs gered van de ondergang. Ze maken een opleving door.

Palmtakje

In maart 1996 gingen Rob (40) en Madelon (38) Heckemann voor het eerst naar de bewonersvergadering van nieuwbouwwijk 't Ven in Veghel. Ter oriëntatie. Ze kwamen uit Leusden gereden en barstten van de honger. 'Eet lekker mee', zei een bewoonster. Ze schoven aan tafel en dachten: dit is het. “De mensen waren zo open en gastvrij”, herinnert Madelon zich. “En iedereen was hier nieuw.”

Maar zo bleef het niet. “Niets is automatisch meer”, zegt Madelon nu. “Ik werk niet en toch houd ik een agenda bij. Denk niet dat hier zomaar iemand komt aanwippen. Alle vrouwen in de straat werken.”

Het beeld van Brabant is achtergebleven bij de realiteit. In 1950 schreef Antoon Coolen in Land en volk van Brabant: “Het schone en nijvere gewest, dat zijn vroegere achterstelling geheel en al ontgroeid is, zonder daarbij zijn eigen aard te hebben ingeboet, maakt op iedere Nederlander een fascinerende indruk.” Vanaf eind jaren vijftig tot eind jaren zeventig was er een white flight te zien van met name Zuidhollanders naar Brabant. De provincie werd 'industrierijp' gemaakt onder het bewind van commissaris van de koningin J. de Quay, maar de inwoners hielden in stilte vast aan het oude Brabantia Nostra-motto uit de jaren dertig: 'Braband is zyn eigen land'. “Brabant is van een geslotenen geïsoleerde provincie geworden tot een open provincie”, zei De Quay bij zijn afscheid in 1959. “waar datgene wat van buiten komt wordt binnengelaten en zijn krachten kan geven. (...) De mensen uit het eigen volk zijn er nu sterk genoeg voor om het te verwerken.”

De buitenstaanders verbouwden vervallen langgevelboerderijen in de Kempische gehuchten. Ze lieten hun huis inzegenen door meneer pastoor en dronken na afloop van het midzomerconcert van de plaatselijke fanfare een pilske in het dorpscafé. Met palmpasen haalden hun kinderen een palmtakje in de kerk. Ze deden kortom, voor zover hun geweten en hun behoefte dat toeliet, mee aan het traditionele dorpsleven.

Rafelrand

Boven de rivieren heerst volgens cultuurfilosoof Paul Kuypers nog steeds het beeld van de vrome, goedmoedige en ijverige Brabander. Om die reden spreken buitenstaanders van het 'donkere zuiden'. Maar het zijn juist die uitgesproken Brabantse eigenschappen die volgens hem de vernieuwing van de economische structuur in de provincie de afgelopen jaren mogelijk hebben gemaakt.

“Nergens”, schrijft Kuypers in zijn vorig jaar verschenen essay Onverwerkt verleden; overleven in Brabant is de sanering van de traditionele bedrijvigheid zo rimpelloos verlopen als in Brabant en nergens heeft het beleid met betrekking tot de vestiging van nieuwe bedrijven zoveel succes gehad.”

In hun studie Bedrijfsdynamiek 1996 telden de economen Kemper en Pellenbarg in 1995 201 bedrijfsverhuizingen naar Brabant. In datzelfde jaar kwamen Noord- en Zuid-Holland uit op een negatief migratiesaldo van respectievelijk 172 en 314 bedrijven. In de top tien van opkomende kantoorlokaties in Nederland (samengesteld door makelaar DTZ Zadelhoff) staat Den Bosch op nummer negen. Reden van de populariteit: de fileluwe snelwegen rondom de stad.

Groeiklasse 4 en 5-kernen - gemeenten die de provincie heeft aangewezen als stadsregio's en die voorlopig mogen doorgroeien - klagen over een tekort aan 'uitgeefbaar bedrijventerrein'. Veghel (groeiklasse 4) spreekt in haar sociaal-economisch profiel over een 'krappe markt'. Het stadje kan nog maar 25 hectare industriegrondverkopen. Vier van de vijf bedrijfsparken zitten vol of bijna vol.

“We worden de rafelrand van de Randstad”, zegt Pieter van Geel, gedeputeerde statenlid Ruimtelijke Ordening van Noord-Brabant. Naarmate de productiekosten voor bedrijven toenemen in de Randstad - grondprijzen stijgen, milieumaatregelen worden strenger - vestigt steeds meer milieubelastende industrie zich in Oost- en West-Brabant. “De procesindustrie uit de haven van Rotterdam bijvoorbeeld. Dat typebedrijvigheid acht ik niet wenselijk hier. Brabant loopt vol, niet alleen met bedrijven, de werknemers komen ook mee. We willen geen overloop, we willen selectief groeien.”

Het huis van Rob en Madelon is vrijstaand geschakeld en heeft een turquoise zuiltje naast de deur. In de tuin staan jonge fruitbomen en een wilgenheg. Ze hebben het voor 360 duizend gulden gekocht, maar volgens Madelon is het nu al meer dan 450 duizend waard. “Hetzelfde huis staat nu ook in Leusden, voor dezelfde prijs, alleen heeft het daar de helft van de oppervlakte en maar zeven meter tuin.”

Vorig jaar vonden ze het nog wel leuk, maar dit jaar heeft de familie Heckemann de carnavalsoptocht aan zich voorbij laten gaan. “Beetje zitten kleumen langs de weg in afwachting van de optocht”, zegt Madelon. En die authentieke braderieën zomers in de dorpen? “Nieteens meer folklore, gewoon handel.” Soms gaan ze naar het Spoorpad,een nabijgelegen natuurpark in aanleg. Daar kun je bijen en vlinders bekijken en er zijn bielzen met nachtbeestjes erin.