Heiligenschijn

HOEVEEL KLEINE waarnemingen en overpeinzingen kan een kleine vakantie rond de slagvelden van België en Noord-Frankrijk opleveren? Het is maar net wat je nog de moeite van het vermelden waard vindt, natuurlijk. Bij Verdun steekt nu nog prikkeldraad uit 1915 uit de

grond dat bijna niets van zijn trekkracht verloren heeft. Spaken van een

fietswiel zouden het in dezefde grond geen twintig jaar hebben uitgehouden. Ook vindt men bij Verdun, behalve de meer gangbare granaten, patroonhulzen en kogels, kleine bolronde loden kogels alsof daar tussen '14 en '18 met musketten werd geschoten. Het kan zijn dat het materiaal uit 1870 stamt, maar dat zou betekenen dat er akkers zijn waarboven Fransen en Duitsers tweemaal achtereen op elkaar hebben geschoten. Het is een genoegen er zachtjes over door te denken, maar voor deze rubriek zijn de vragen te weinig alledaags.

Meer in de lijn is de waarneming, al op de eerste vakantienacht gedaan, dat het 'steelpannetje' dat sommigen in de Grote Beer menen te zien, helemaal niet naar de poolster wijst. Neem er eens een stok bij of

een lineaal en zeg na: het komt niet eens in de buurt. Generaties amateursterrenkundigen, kosmografieleraren en koopvaardij-officieren hebben volgehouden dat het wel zo is en in het eerste de beste onbewaakte moment stelt men vast: onzin.

Zo zou het leven kunnen zijn: lekker rieleksen in de vrije natuur en toch en passant een gevestigde theorie omverwerpen. Hoe meer theorieën men thuis achter de kachel verzamelt, hoe beter de kansen. Nooit mag de reiziger die in augustus de tarwestreken van Frankrijk bezoekt verzuimen vast te stellenwelke kant de 'dustdevils' op

trekken als deze bij een stevige wind ontstaan. Dustdevils zijn de met as en stof gevulde minicyclonen die zich vormen boven afgebrande tarwe-akkers als die flink door de zon worden opgewarmd. Er is hier al eens eerder over geschreven. De theorie à la Magnus wil dat een draaiende luchtzuil zich dwars op de wind verplaatst, tot dusver zijn alleen wervels gezien die gewoon met de wind meetrokken.

Zo is er ook het principe van de Russische bioloog G.F. Gause die in 1934 uitsprak dat geen twee diersoorten naast elkaar kunnen samen bestaan in dezelfde nis als die soorten gelijke oecologische behoeften hebben. We zouden tegenwoordig liever niche en ecologisch schrijven, maar de vraag is: heeft Gause's principe van de 'competitieve uitsluiting' de stormen doorstaan of is er geen bioloog meer die er nog van weet? Dertig jaar geleden klonk het nog zo gek niet, deze zomer rees

opeens de vraag: wat gebeurt er eigenlijk als de soorten niet samen kunnen bestaan, verdwijnt er dan een of verandert-ie, wat zijn eigenlijk

ecologische behoeften en heeft Gause ons niet opgezadeld met een schitterende cirkelredenering àl la Darwin: de fitste soort heeft

het beste voortplantingsresultaat en juist aan dat goede geboorteresultaat valt zo goed te zien dat-ie fit is. Het gaat hier, voelt men wel of misschien ook niet, om de boerenzwaluwen en de huiszwaluwen die hun nestjes op dezelfde plekjes bouwen en dezelfde vliegjes eten maar toch, en al eeuwen, samen naast elkaar voorkomen. Ze zitten niet door elkaar op dezelfde telegraafdraden, maar groter lijken de verschillen niet. En denk eens aan de pimpelmees en koolmees.

Ook de Heiligenschijn, hier niet voor het eerst genoemd, biedt nog volop

kansen. Heiligenschijn is de naam voor de gloed die men om de schaduw van het eigen hoofd ziet als die schaduw bij niet al te hoge zonnestand op bedauwd gras valt. Ook op de bedauwde tent wordt de gloed prachtig zichtbaar. Minnaert gebruikt in het eerste deel van 'De natuurkunde van het vrije veld' retroreflectie in de dauwdruppels als verklaring. In die

verklaring speelt de diameter van de druppels geen rol. In het modernere

en verder uitgewerkte 'Color and light in nature' van David Lynch en William Livingston wordt voor een goede Heiligenschijn van de druppels geëist dat ze zich op bepaalde afstand van hun ondergrond bevinden.

Dan doet de druppeldiameter er wel toe.

Waar weinig over geschreven wordt is dat ook op volkomen droog gras, en 's middags om een uur of vijf is het gras op een zonnige zomerdag meestal droog, een lichte gloed om de schaduw van het hoofd is te zien. Lang niet zo sterk als op nat gras, maar toch: voldoende sterk om hem te

fotograferen. Deze Heiligenschijn is veel minder goed verklaard. Wie er Lynch en Livingston op naslaat voelt wel voor een soort schaduw-afdekking waarvoor zij de term 'opposition-effect' gebruiken.

Geen beter hulpmiddel voor dauwonderzoek dan de onbewoonde tent. Vooral op het glanzend gecoate nylon- en polyesterdoek is het verschijnen van de eerste dauw heel precies vast te stellen. Anderzijds blijft het vocht

zo minimaal aan het doek hangen dat de dauw bijna kwantitatief is te verzamelen. Niet zelden haalt de kampeerder 's ochtends een of twee bekers dauw van de woning.

Dauw ontstaat, zoals bekend, als voorwerpen door uitstraling (of liever gezegd door verminderde instraling) sterker afkoelen dan de vochtige lucht die er om heen spoelt. Vroeg of laat daalt dan de temperatuur van het dunne luchtlaagje dat aan het voorwerp kleeft beneden het dauwpunt: et voilà. Op de laatste ochtend van de vakantie, toen de zon al flink was gestegen maar de tent nog in de schaduw stond en er een felle behoefte was de tent snel droog te krijgen bleek dat er steeds weer opnieuw een beker water van het doek te verzamelen viel. Zon op, de hemel blauw, de lucht al merkbaar aan het opwarmen en toch: het dauwde dapper door. Nog steeds was kennelijk de uitstraling zoals-ie 's nachts geweest was. En waarom ook niet, dat de hemel al zichtbaar licht naar beneden werpt hoeft niet te beteken dat er al direct veel onzichtbaar infrarood in het spectrum zit. Binnenkort moet het KNMI maar eens zeggen

wat de verklaring is.