Geluidsvisioen als 'bladvulling'

Edgard Varèse (1883-1965) was bepaald niet zijn eerste keus, dat laat ir. Frits Philips in de documentaire Het elektronisch gedicht onverholen blijken. Ruim veertig jaar na dato spreekt hij nog steeds met enig dédain over die 'artiest' en het project dat zo'n slordige zes miljoen gulden heeft gekost. Natuurlijk, hij was als toenmalige voorzitter van de Raad van Bestuur verantwoordelijk voor het Poème électronique dat Varèse in opdracht componeerde voor het Philips-Paviljoen op de wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel. De multinational wilde de wereld het nieuwste op visueel gebied tonen, en kwam daarbij terecht bij de Le Corbusier, die samen met zijn toenmalige assistent, de architect en componist Iannis Xenakis, een geraffineerd soort ingezakte tent ontwierp. Wilde men het nieuwste op het gebied van geluid laten horen om de voorstelling te completeren, dan moest men volgens Le Corbusier Edgard Varèse aanzoeken.

Zo kwam het dat de toen 75-jarige Varèse in een Philips-studio in Eindhoven negen maanden heeft gewerkt aan zijn revolutionaire geluidsvisioen, technisch bijgestaan en artistiek tegengewerkt door de ingenieurs van het bedrijf. “Ik dacht dat we de tijd van prima donna's achter ons hadden gelaten”, zou Varèse later tegen zijn leerling Chou Wen-chung zeggen, “maar neen, de ingenieurs zijn de prima donna's van nu.” Hoezeer ir. Philips de capaciteiten ('bladvulling' voor het paviljoen) van Varèse onderschatte, blijkt nog eens uit het feit dat hij de mediocriete componist Henri Tomasi een schaduwopdracht heeft gegeven, die door Le Corbusier echter resoluut werd verworpen.

Het elektronisch gedicht. Edgard Varèse in Nederland, een documentaire van Willem Hering en Hank Onrust, schetst op empathische wijze de moeilijkheden die Varèse in ons land heeft ondervonden en legt de vinger op een kenmerkend aspect van het gehele oeuvre van Varèse: de frictie tussen zijn visioenen over muziek als 'georganiseerd geluid' en de klanken die hij met de primitieve middelen die hem ter beschikking stonden kon realiseren. Componisten als Chou Wen-chung en Karlheinz Stockhausen lichten deze strijd tussen droom en werkelijkheid toe, terwijl met origineel beeldmateriaal en getuigenissen van de betrokkenen wordt verhaald van de wederwaardigheden rondom het Poème électronique. Componist Dick Raaijmakers, indertijd werkzaam bij Philips, vertelt op aangenaam dociele wijze over deze bijzondere muziek: “Korte, uitgesneden klanken die op de grens staan van het herkenbare.”

Het waren negen geïsoleerde maanden voor Varèse. De toenmalige directeur van het Van Abbemuseum, Edy de Wilde, was een van de weinige Nederlanders waarmee Varèse intellectueel contact had. Geen componist, geen musicus heeft hem bezocht, onderstreept Raaijmakers. Staande voor het kleine huisje waar Varèse heeft gewoond, spijt het hem nog altijd toen, als 27-jarige, niet te hebben aangebeld en te hebben uitgeroepen: 'Meester, hier is uw leerling!'

Het elektronisch gedicht. Edgard Varèse in Nederland. Zondag, Ned.3, 23.10-00.12 u.