Droom en debâcle; NEW METROPOLIS IS UITDAGING AAN NEDERLANDSE CULTUURPOLITIEK

NewMetropolis, het wetenschaps- en technologie-centrum in Amsterdam, kampt een jaar na opening met een structureel tekort op zijn begroting.

WE LOPEN langs het 'Superbankerspel', de telecommunicatiecirkel en het videospel 'Verscheurd Geluk'. We werpen een schuin oog op het Laboratorium en banen ons een weg door een zee van toekomstgeluiden.

James Bradburne, het Canadese Hoofd Onderzoek en Ontwikkeling van het NewMetropolis Science and Technology Center aan het IJ in Amsterdam, houdt de deur van zijn kantoor open. “Er schuilt iets raars in de manier waarop Nederland omgaat met zijn meest spectaculaire culturele instellingen”, zegt hij. NewMetropolis bestaat sinds vorig jaar, een modern wetenschapscentrum, het eerste centrum in Europa dat serieus omgaat met informeel leren. Het is, zegt Bradburne, “een experiment dat

internationaal alom respect afdwingt, maar niemand hier lijkt dat nog te

hebben opgemerkt.''

NewMetropolis kampt met een structureel tekort op de begroting - 2,5 miljoen tekort op 10 miljoen exploitatie, luidt de officiële versie, maar de meningen over de noodzakelijke bedragen lopen uiteen. Bij de opening in juni 1997 erfde men een schuld. Het monumentale ontwerp van architect Renzo Piano plus de ontwikkelingskosten en totale inrichting hadden ruim 89 miljoen gekost. Een overschrijding van bijna zes miljoen op het budget dat door diverse ministeries, de gemeente Amsterdam en het bedrijfsleven was gefourneerd. De rentelasten drukken zwaar. Van de entreegelden en zaalverhuur alleen kan het centrum vooralsnog niet rondkomen. De instelling krijgt van de overheid geen exploitatiesubsidie.

INFORMEEL LEREN

Bradburnes werkte voor kunststichtingen, wetenschapscentra en centra voor informeel leren, van UNESCO tot de Science Alberta Foundation. Het voedde zijn belangstelling voor leerprocessen. “De vraag hoe mensen zich dingen eigen maken heeft mij altijd gefascineerd. Net als de vraag welke situaties het leerproces bevorderen.”

Wetenschapsmusea werden tot aan het begin van deze eeuw vooral bezocht door de gegoede burgerij. Na de Eerste Wereldoorlog hebben diverse instellingen geprobeerd een breder publiek te trekken, het Deutsches Museum in München (1925), het Palais de la Découverte in Parijs (1937) en het Chicago Museum of Science and Technology (1939) zijn bekende voorbeelden. Sinds de jaren zestig ontstond een moderne generatie science centers die de wetenschap dichter bij de mensen wilde brengen en bezoekers zelf handelingen liet verrichten, voorbeelden: de San Francisco Exploratorium, het Ontario Science Centre en de Cité de la Science et de l'Industrie. Toch hadden die eerste interactieve centra hun beperkingen. Bradburne: “Zij zagen informatie-overdracht als hoofdtaak, lieten mensen op een knop drukken om de Wet van Ohm zichtbaar te maken, maar de boeiende complexiteit van het wetenschappelijk bedrijf bleef buiten beschouwing. Ze waren vooral op demonstratie van 'de goede antwoorden' gericht, in plaats van mensen te engageren in het proces van vragenstellen.”

Deze top down benadering kwam steeds meer onder vuur te liggen. Voor ontwerpers werd de grote vraag: wat gebeurt er als je wetenschap als een

proces bekijkt? Welk type opstellingen moet je ontwikkelen om menselijke

activiteit en discussie te stimuleren? Bradburne: “Met die vragen in het hoofd gingen de ontwerpers van NewMetropolis in 1994 aan de slag. De

teams bestonden grotendeels uit jonge Nederlandse ontwerpers, die met tomeloze energie in het diepe sprongen. Zij zijn gevoed met stimulerende

inzichten uit de leer-, spel- en systeemtheorie. Er zijn studiereizen gemaakt om de beste voorbeelden van interactieve opstellingen en computerdesign te bestuderen. Talloze deskundigen hebben ons terzijde gestaan.''

Het resultaat is volgens Bradburne, dat er een centrum zonder weerga in Europa is ontstaan. “Geen 'spelletjespark met schamele computertestjes'

waarvoor het wel is uitgemaakt. Een informele onderwijsinstelling, die radicaal ingaat op de vraag welke vaardigheden een mens kan cultiveren om in een onstuimige maatschappij kritisch te functioneren. Het gaat over de vraag hoe men kan ervaren dat men iets onder de knie krijgt. Daarover gaan die 'spelletjes', ieder facet ervan is doordacht.” Hij wijst op de Tanker Game, een spel waarmee mensen tankers veilig een haven in kunnen manoeuvreren. Dat vraagt samenwerking, handigheid met computers, maar ook bewustzijn van wat er gebeurt als er iets misgaat. “Alle proefopstellingen zijn duizend maal uitgetest. En de grondstaf is

speciaal getraind om het leren hier te ondersteunen.''

ZINKEND SCHIP

Bradburne zal het vervolg van de NewMetropolis-geschiedenis op afstand meemaken. Volgend jaar wordt hij directeur van het Frankfurter Museum für Kunsthandwerk. Voelt hij dit niet als verraad, als het verlaten

van een zinkend schip? “Nee”, reageert hij geagiteerd, “eerder als een kwestie van integriteit. Er zijn hier beloften gedaan, mensen hebben

gewerkt aan een droom. Het zou verraad zijn als wij door financiële

krapte gedwongen zover zouden terugzakken dat de idealen van informeel leren erbij inschieten, dat wij een soort Disneyland zouden worden.''

Hij vertrouwt erop dat het zover niet zal komen. “Dit is een hypermodern wetenschapscentrum, dat aansluit bij een oude Nederlandse traditie van institutionele interesse in industrie en wetenschap, arbeid

en technologie.” Die traditie was al zichtbaar in het Museum van den Arbeid, de vroegste voorloper van NewMetropolis, dat in 1929 in Amsterdam werd gevestigd. “Ook een product van hartstocht - de passie van de kunstschilder Herman Heijenbrock voor gebruiksvoorwerpen en industriële producten.” Heijenbrocks verzameling legde in het interbellum de basis voor een museum dat waardering probeerde te kweken voor de 'zwaar miskende arbeid van duizenden naamloze mensen'. Het werd in 1954 omgebouwd tot het Nederlands Instituut voor Nijverheid en Technologie (NINT). Bradburne: “NewMetropolis heeft die belangstelling voor arbeid geërfd.”

De financiële crisis bij NewMetropolis is volgens insiders het gevolg van het sociaal-economisch klimaat eind jaren '80, toen structurele subsidiëring van wetenschapscentra onbespreekbaar bleek. Toch becijferden in 1988 de consultants van het Ontario Science Centre, Ray Moriyama & Teshima PlannersLimited, voor de gemeente Amsterdam dat de exploitatie van een nationaal wetenschapscentrum 12,1 miljoen kon bedragen, en dat de eigen inkomsten de eerste jaren zouden schommelen tussen 5 en 8,4 miljoen. Er viel dus een exploitatietekort van tussen 3,7 en 7,1 miljoen te verwachten.

Wereldwijd was de ervaring dat grote wetenschapscentra vaak tot een kwart van de jaarlijkse exploitatie uit publieke middelen bijgespijkerd kregen. Kreeg het kleine NINT in 1980 nog meer dan de helft van de inkomsten van diverse ministeries, de gemeente Amsterdam en de provincies, geen van deze instituties vond eind jaren '80 dat een dergelijke goedgeefsheid ook moest gelden voor het nieuwe nationale initiatief. Toen in 1992 voor de bouw van het science center handtekeningen werden gezet, was duidelijk dat het project zich na de opening zelf zou moeten bedruipen, waarbij geen acht werd geslagen op bij alle partijen bekende internationale cijfers.

De financiële crisis ontneemt volgens Bradburne het zicht op een fundamentelere uitdaging “die mogelijk ook de financiële malaise kan keren”. Die uitdaging zit in de mogelijkheden van NewMetropolis als

informele leeromgeving. Ruim een jaar na opening, merkt Bradburne, bestaat in de buitenwereld nog steeds geen duidelijk beeld van wat NewMetropolis is of kan doen. “Er is te weinig over de inhoud gepraat.” In de media staat NewMetropolis afwisselend te boek als 'een wetenschap-walhalla', een '21ste-eeuws stadsplein', een 'wereld-waarin-je-zelf-het-grootste-wonder-bent' en 'een peuterspeelzaal

van sardonische afmetingen'.

VIERDE-GENERATIE

“Maar”, zegt Bradburne, “wij zijn een vierde-generatie wetenschapscentrum. Wij mikken niet op een museummodel waar bezoekers langs objecten schuifelen, wij spiegelen ons eerder aan bibliotheken met

steeds terugkerende gebruikers. Zo'n instelling moet zich blijven vernieuwen. Om echt te leren is naast het tactiele, ook emotionele en verstandelijke betrokkenheid nodig. Wij hebben bovendien afgerekend met de gedachte dat computerspelletjes solo-bezigheden zijn. Dat idee is erg

Amerikaans. Al onze opstellingen zijn voor meer gebruikers tegelijk, dat

is veel socialer, Europeser.''

Verder is veel onderzoek gedaan naar engagement. Het was bekend dat in de eerste interactieve centra mensen vaak niet langer dan dertig seconden bij een opstelling bleven staan. “Dat is onvoldoende om iets te leren. Al deze dingen vragen om een antropologenblik. Wat vinden mensen leuk om te doen: sport, puzzels, taalspellen? En welke van die activiteiten zijn zo engagerend dat er ook van wordt geleerd?”

Doordat de aandacht zich nu vooral op de financiën richt, dreigt het gevaar dat men opnieuw te weinig inhoudelijke aandacht vraagt voor wat in NewMetropolis gebeurt. Bradburne: “Vergeten wordt hoeveel in korte tijd al is bereikt: We hebben 450.000 bezoekers getrokken, internationaal scoren wij hoog, de eerste proefschriften rollen al van de pers.”