De duistere gevaren van het denken

Developmental Review. Perspectives in Behavior and Cognition. Volume 18, Number 2, June 1998. Driemaandelijks tijdschrift. Uitgave Academic Press, 6277 Sea Harbor Drive, Orlando [Fl] USA. Jaarabonnement $210. Ter inzage in veel universiteitsbibliotheken.

KAN NADENKEN kwaad? Ja, vinden sommige sociaal-psychologen. Hoe meer je denkt, des te geringer wordt de kwaliteit van je gedachten, aldus hun nogal verontrustende conclusie uit een recente reeks experimenten.

'Nadenken' (oftewel: het ergens op richten van de mentale activiteit, met als mogelijk gevolg een conceptuele reorganisatie) blijkt volgens de

onderzoekers te leiden tot extremere opvattingen en zelfs tot 'minder juiste' opvattingen. Een centrale figuur in dit onderzoek, Timothy Wilson van de Universiteit van Virginia, spreekt in dat verband zelfs van 'mentale vervuiling'. Uit experimenten van hem en anderen bleek namelijk telkens dat overdenkingen van bijvoorbeeld de keuze voor bepaalde universitaire vakken of over de argumenten voor en tegen de doodstraf leidt tot extremere standpunten èn tot grotere verschillen tussen opvatting en gedrag.

Maar gelukkig, de voordelen van nadenken blijken toch op te wegen tegen de nadelen. In het juni-nummer van Developmental Review laten de ontwikkelingspsychologen Deanna Kuhn en Joseph Lao van de Columbia University (New York) weinig over van de experimenten en theorieën van Wilson c.s. Ze ontmaskeren allerlei statistische onzuiverheden. En Kuhn & Lao signaleren vooral veel veel curieuze denkfouten. Bijvoorbeeld

naar aanleiding van het feit dat proefpersonen voorafgaande aan hun 'overdenking' opvattingen huldigden over studieprogramma's en broodbeleg

die dichter stonden bij die van 'experts' (universitaire docenten, ervaren studenten, marmeladekenners) dan hun 'doordachte' opvattingen na

afloop. Ook blijken proefpersonen die door nadenken van mening zijn veranderd over welke van vijf posters ze aantrekkelijk vinden, na afloop

minder tevreden over de poster die ze mee naar huis mochten nemen dan proefpersonen die hun reden voor voor- en afkeur niet hoefden op te schrijven. Interessant, maar waarom zou je daaruit moeten concluderen dat denken leidt tot 'suboptimale' opvattingen? De criteria van 'experts' ten aanzien van jam en studiepunten kunnen heel anders liggen dan die van proefpersonen: anders, niet beter. En dat mensen genuanceerdere postervoorliefdes hebben gekregen hoeft niet te betekenen

dat hun eerdere opvattingen authentieker waren, zoals Wilson c.s. suggereren. Nadenken kan leiden tot complexere opvattingen, en dat is toch kwalijk een dwaalweg te noemne.

Niettemin, in hun scherpzinnige en bij vlagen hilarische artikel maken Kuhn & Lao duidelijk dat het onderzoek naar de effecten van denken wel degelijk nut heeft. Al was het maar om de gedachten te scherpen. Op de onderliggende vraag naar de algemene mechanismen van meningsverandering zijn nog altijd niet veel heldere antwoorden geformuleerd en dat is jammer. Uit het onderzoek dat Kuhn en Lao evalueren (en combineren met eigen research) blijft eigenlijk maar een paar conclusies overeind: confrontatie met afwijkende meningen leidt meestal tot bijstelling van de eigen mening, en slechts in een klein aantal gevallen tot radicalisering van de eigen opvatting. Dat laatste effect wordt sterk verminderd wanneer de proefpersoon enigszins gedwongen wordt gedisciplineerd over de materie na te denken, bijvoorbeeld door de voor en tegens systematisch op te schrijven. En dan nog: hoe erg is radicalisering van opvattingen als iemand goed heeft nagedacht? Het onderzoek kan zich dus maar beter toespitsen op coherentie van de redeneringen die aan de opvattingen ten grondslag liggen dan op de radicaliteit ervan, zo besluiten Kuhn en Lao.

De rest van Developmental review is gewijd aan het begrip 'mentale representatie'. Dit 'gedachtebeeld' (in feite een verwijzing naar iets wat wel in gedachten, maar niet zichtbaar is) wordt in de gewone psychologie als een gegeven beschouwt, maar in de ontwikkelingspsychologie en de kentheorie speelt het een cruciale rol. Waar komt het vandaan? Kinderen zijn pas vanaf twee jaar in staat tot die mentale representatie, maar ook daarvoor al kunnen ze handelen en reageren. Ulrich Müller, Bryan Sokol en Willis F. Overton houden een uitvoerig betoog over het verschil tussen 'empiristische' en 'constructivistische' verklaringen voor het ontstaan van dat kernonderdeel van het denken. In de eerste verklaring ontstaat dat vermogen uit de ervaring van de buitenwereld, in de tweede is het een autonome geestelijke ontwikkeling. Beiden roepen veel problemen op. Zelf kiezen de drie daarom voor een aangepast constructivisme: het mentale voorstellingsvermogen wordt in de ontwikkeling van de kindergeest voorafgegaan door en een soort 'materiele' objectiveringsfase, waarbij kinderen gaan 'nadenken' over hun spontane fysieke manipulatie van dingen en mensen. Pas hieruit ontwikkelen ze een

gevoel voor het verschil tussen subject en object, dat is cruciaal voor een voorstellingsvermogen. Dat kinderen vaak in zichzelf praten als ze iets moeilijks doen of denken, is volgens hen een de uitingen van dit proces.

Hun commentator Leslie Smith ziet ook niet veel in de empiristische verklaring, vooral omdat daarin het representatievermogen eigenlijk niet

als een probleem maar als iets vanzelfsprekends wordt gezien. Maar hij wijst er wel op dat ook met de door het drietal aangepaste versie van het constructivisme de problemen nog lang niet zijn opgelost. Denken blijft een soort creatio ex nihilo. Hoe bijvoorbeeld ontwikkelt een kind

een voorstelling voor tijd, als het nog geen voorstellingsvermogen heeft? En is dat tijdsbesef juist weer geen noodzakelijke voorwaarde voor een voorstellingsvermogen?