Bom in de beerput

Sinds het overlijden van mijn grootmoeder in 1972 heb ik geen familie meer in Velp. Nu is mijn oom uit Heerlen overgekomen om mij het dorp te laten zien zoals hij het ziet, dat wil zeggen met een mengeling van enthousiasme en ongeloof, enthousiasme voor het avontuur van zijn jongensjaren, ongeloof over het verstrijken van de tijd. Deze neiging tot melancholie ben ik als een familietrekje gaan beschouwen.

Dus als mijn oom, 71 is hij, naar een paar huisjes met grijze dakpannen wijst en zegt dat hij nog heeft meegemaakt dat die gebouwd werden en dat ze er toen 's avonds de stopverf uit de sponningen gingen pulken, is dat voor mij het moment om me het opwindende bezit van een klont stopverf te herinneren, en dan valt dat in dezelfde categorie als het bezit van een magneet, een vergrootglas en een kogellager, en dan tekent zich dat allemaal af tegen een achtergrond van spijt, gemis.

Goed, we lopen door Velp en dat het snikheet is zal ik buiten beschouwing laten, dat speelt eigenlijk geen rol, dat zal alleen ons tempo een beetje vertragen, onze actieradius een beetje beperken (en als er ergens een man met ontbloot bovenlijf onder zijn auto kruipt, is dat vast niet om verkoeling te zoeken).

Overal heeft mijn oom wel iets te wijzen en te zeggen, overal weet hij wel iemand die er gewoond heeft. Zijn Velp is een Velp waar iedereen met iedereen te maken had, én een Velp van kleine winkeltjes. Daar werd snoep verkocht, daar zuivel, daar electro, daar tabak - en na verloop van tijd realiseer ik me dat het verdienen en uitgeven van geld, het halen van boodschappen, het verwerven van spulletjes, op kinderen wel nooit meer zo'n diepe indruk zal maken als toen.

Zo lopen we door straten die liggen waar ze altijd al lagen (zij het nu met parkeerhavens) en langs huizen die staan waar ze altijd al stonden (zij het nu met dakkapelletjes) - met een permanent gevoel van verwondering. Eigenlijk zijn de plaatsen van ingrijpende verandering, waar de boerse woningen van vroeger zijn verdrongen door allerlei doorzontypes, waar een Super de Boer of een videotheek is neergestreken, veel makkelijker te begrijpen. Want dat is de natuurlijke loop der dingen. Zoals je de mensen van je jeugd kwijtraakt aan de dood, zo raak je de plaatsen van je jeugd kwijt aan de vernieuwing.

Op zeker moment komen we onderaan de IJsselstraat. Daar had je een klaphek en nog een klaphek en verder niks dan weiland, daar begon de leegte. Bij hoogwater kwam de rivier tot hier en bij extreem hoogwater nog een eindje verder, dan kon je met een roeibootje tussen de huizen door.

Nu sta je daar tegenover de hoogbouw van het ziekenhuis aan de ene en het kantoor van een energiebedrijf aan de andere kant, dik binnen de bebouwde kom.

We wandelen door de IJsselstraat naar boven en bereiken in verrassend korte tijd de Kerkallee (zelfs te voet zijn de afstanden niet meer wat ze geweest zijn; en ook de bochten zijn lang zo bochtig niet meer; en dat hoogteverschil stelt in feite ook niet zoveel voor). Naast het hoekige pand van Jansen de groenteboer, nu een cafetaria, wijst mijn oom een doods gebouwtje aan. Daar zat Hendriks, de kachelsmid. Daar werden ook paarden beslagen. Soms ging zo'n paard ervandoor, en dan de hoek om, de IJsselstraat af, de kortste weg naar het weiland.

Dit beeld van onze straat, met een roeibootje dat naar boven vaart en een paard dat naar beneden stormt, bevalt mij bijzonder.

Als je vijftig jaar terugkijkt mag je wel zeggen dat er veel veranderd is, met een ondertoon van weemoed. En in het omgekeerde perspectief, als je vanuit '46 vijftig jaar vooruit had kunnen kijken, zou je ongetwijfeld hetzelfde zeggen, dat er veel veranderd is - maar dan met een ondertoon van opluchting. Want zoveel is inmiddels wel duidelijk: totaal berooid was ons land, tot in het merg geschokt in zijn materiële en zedelijke bestaan.

Het Velp van mijn oom is voor een belangrijk deel het Velp van de oorlog. Ach de oorlog, denk je dan. Maar deze herinneringen hebben niets opzettelijks. Op den duur kunnen ze hun uitwerking moeilijk missen. In allerlei details gehuld komt die oorlog dan toch weer op je afsluipen.

Daar, bij dat huis in de Sofiastraat, daar viel een bom in de beerput; de hele gevel onder de stront.

Daar op de hoek, daar zat een man met zijn zoon en twee kinderen van die zoon in de zon, op zondagmiddag, begin april, een dag of veertien voor de bevrijding - er slaat een granaat in en allemaal dood.

Bij deze beschietingen hadden de Engelsen het vooral op de kruispunten in het dorp voorzien - dus die granaatsalvo's kwamen langs de IJsselstraat omhoog en hij, mijn oom, rent voor zijn leven en daar valt een kronkelende stroomdraad, van de houten palen geschoten, vlak naast hem op de grond.

En daar, waar nu die motor op de stoep staat, daar is ook een granaat ingeslagen.

En hier, op dit plaatsje aan de Emmastraat, heeft eens een Duitse tank gestaan - want dan werd zo'n colonne vanuit de lucht onder vuur genomen en dan kropen die tanks tussen de huizen om dekking te zoeken.

Daar, aan de overkant van de Hoofdstraat, daar stond vroeger een bankgebouw, tralies voor de ramen, en daar hadden de Duitsers gevangenen in gezet; die mannen stonden dan te roepen, maar voor dat gebouw liep een wachtpost heen en weer, je durfde niet te blijven staan om te horen wat ze van je wilden.

Dat je een speeltuin had aan een neergestorte Engelse jager. Dat je je leven waagde om een paar turfjes te jatten. Dat je nooit kon weten wat je nou eigenlijk moest doen of laten. Dat Vader die laatste winter thuiszat omdat je Arnhem niet meer in mocht. Dat Moeder de IJssel overstak om voedsel te halen, dat ze terugkwam met een paar stronken boerenkool en dat ze die in de tuin in de grond hadden gezet om ze vers te houden, en de volgende morgen waren ze gestolen en Moeder zei: die arme mensen, die hebben het zeker nog slechter dan wij.

De oorlog, onbegrijpelijk dichtbij, ongelooflijk ver weg; het is maar net wat het moment ervan maakt.

Bij dit alles, dat is tenminste een ding dat zeker is, gaat de spoorlijn nog steeds dwars over de Emmastraat.

Lange spoorbomen had je hier, met van dat hangend rasterwerk, die naar behoren werden neergelaten en opgehaald door de baanwachter bij zijn baanwachtershuisje.

'Stoomlocomotieven', zegt mijn oom. Maar dat herinner zelfs ík me nog. 'En rijtuigen eerste, tweede en derde klas', zeg ik.

Dus dat is onze kleine geschiedenis van Velp. Eerst was het zijn beurt om hier over de spoorbomen te hangen, toen de oorlog, toen was het mijn beurt om hier over de spoorbomen te hangen en nu zijn het van die korte stijve roodwitte latjes, die automatisch dichtgaan en daar komt de trein naar Zutphen, opvallend geel, hoog op de wielen, langzaam in de bocht.