Apen en de definitieve ontkokering

In het regeerakkoord staat dat van rijkswege een bijdrage zal worden geleverd aan het bestrijden van de verkokering. Met dit laatste begrip wordt gedoeld op het verschijnsel dat departementen langs elkaar heen werken, zo niet elkaar in de weg zitten. Ook binnen één ministerie gaan de verschillende directoraten vaak het liefst elk hun eigen weg. Omdat veel vraagstukken in de samenleving echter een multidisciplinaire aanpak vergen, blijven ze door die verkokering veel langer dan nodig is onopgelost of worden slechts halfslachtige maatregelen genomen.

Elk ministerie heeft zo zijn eigen beleidscultuur en bijvoorbeeld een eigen stijl van financiering en subsidiëring. Als belangrijkste oorzaak van het gebrek aan samenwerking en harmonisatie wordt echter genoemd dat elke bewindspersoon en elke hoge ambtenaar zichzelf wil profileren, een fraai woord voor haantje de voorste willen zijn. En in een gemeenschappelijk project is het nu eenmaal moeilijk een voor de buitenwacht krachtig eigen stempel te zetten op het resultaat.

De gedachte aan de oude, maar nog steeds fraaie theorie van de Duitse psycholoog Künkel dringt zich op. Hij maakte verschil tussen sachliche en Ichhafte motivaties en gedragingen. Bij de eerste gaat het om het bereiken van het doel als zodanig, bij het tweede om de persoonlijke waardering die men erdoor krijgt.

Ik praatte over het verkokeringsverschijnsel met iemand die gezien haar werkverleden daar goed zicht op heeft. Zij kan er tal van voorbeelden van noemen. Ik vroeg of zij dacht dat dit zal veranderen naarmate meer vrouwen in het landsbestuur komen, van wie wel wordt gezegd dat zij in het algemeen meer oog hebben voor de zaak dan voor de eigen persoon. Een sinds de tweede feministische golf onvermijdelijke en stereotiepe vraag. Hij was bij mij echter nog weer eens aangezwengeld doordat ik kort voor dit gesprek in het laatste nummer van het tijdschrift Psychologie las over de Bonobo apen, een relatief recent ontdekte mensapensoort. Ze vormen een vredelievende, egalitaire gemeenschap die wordt gedomineerd door vrouwen. Mijn man kon niet nalaten er op te wijzen dat ze misschien daardoor nooit verder gekomen zijn dan aap in een klein hoekje van Congo en dat de verguisde manlijke agressiviteit wellicht toch nuttig is geweest bij het hogerop komen tot mens. Zo heeft men altijd wel aardige gespreksstof in huiselijke kring.

Mijn eerder genoemde gespreksgenote aarzelde wat na mijn vraag en zei toen voorzichtig formulerend dat zij zich kon voorstellen dat die andere, meer op samenwerking gerichte mentaliteit er wel is bij de vrouwen die al enige tijd in bestuur en beleid zitten, maar dat de jongere generatie net zo ambitieus en carrièregericht is als de manlijke collega's. Ook zij willen zich nu profileren, al was het alleen maar omdat de partij dat van hen verlangt.

's Avonds las ik in Opzij het interview met parlementariër Hillen, waarover in de pers zoveel gekrakeel is ontstaan. De interviewster stelde hem een vraag die - zij het in andere woorden - vergelijkbaar is met de mijne: “Vrouwen in de politiek, gaat daar een specifiek positieve invloed van uit?” Het is overigens opvallend dat die aanleiding tot de uitlatingen van Hillen in de perscommentaren niet was terug te vinden, alsof hij nu zo maar ineens iets lelijks over vrouwen wilde zeggen. Hij reageerde echter op de expliciete vraag of het politieke bedrijf er met vrouwen op vooruit gaat: “Nee, vind ik niet. Natuurlijk, er zijn goede en slechte vrouwelijke Kamerleden, leuke en chagrijnige, net zoals bij mannen. Maar ik ken niet veel leuke (curs. van mij RK) vrouwen in de politiek, ze zijn vaak ambitieuzer, meer geharnast, humorlozer, minder relativerend, ze moeten altijd scoren.” En even verder: “Hoe het komt dat ik ze vaak niet aardig vind? Misschien omdat het een bepaald soort vrouwen is die de politiek ingaan, of andersom: dat de politiek vrouwen vervormt zoals dat ook bij mannen gebeurt. Natuurlijk, vrouwen zijn nog in de minderheid en moeten zich bewijzen. Dat zal zeker een rol spelen.” Een weinig opzienbarend antwoord dus en zo er al iets lelijks in te beluisteren valt, is dat niet zo zeer gericht tegen vrouwen, als wel tegen de vrouwen en mannen misvormende politiek.

In enkele commentaren werd gezegd dat Hillen vrouwelijke Kamerleden pitspoezen heeft genoemd, een begrip uit de coureurswereld. Dit is een misverstand. Pitspoezen racen nooit zelf, maar horen tot de om het parcours heencirkelende franje, aangetrokken door de masculiene glamour. Zo zullen rondom parlement en regering vrouwen te vinden zijn voor wie de 'machtige' mannen aldaar aantrekkelijk zijn. Ook wat Hillen daarover zei in het interview is dus niet echt om van te schrikken.

Seks en macht zijn op enigerlei wijze gekoppeld. Machtige mannen zijn voor vrouwen seksueel aantrekkelijk. Als ik het goed begrijp is het verband tussen beide in de door vrouwen gedomineerde Bonobo gemeenschap echter anders. Daar wordt seks juist gebruikt om (over)macht te voorkomen. Er wordt veel en vaak even geknuffeld en gevreeën door iedereen met iedereen, ongeacht de sekse. En zo houden alle apen alle andere steeds op gelijkwaardige wijze te vriend. Zo'n soort seks op de Haagse matras zou het land wel ten goede komen. De definitieve ontkokering.