ALTIJD EEN TROL OP HET SPATBORD

Opspattende modder, gierende motoren en de eeuwige geur van motorolie - dat is de wereld van Daniël (23) en Marcel Willemsen (21), zijspancrossers uit Lochem. Over de wisselwerking tussen stuurman en bakkenist. “Als het slim wordt, zeg ik: bekiek 't maor.”

Maandag wasdag, maar niet voor moeder Willemsen. Tien, twintig, soms wel veertig wasjes draait ze nadat haar van top tot teen besmeurde zoons terugkeren van weer een doldwaze tocht door de blubber. “Soms ben

ik van maandag tot en met woensdag bezig om alles weer keurig schoon te krijgen. Om tijd te winnen zet ik de wekker en kom ik er 's nachts een keer of vier, vijf uit om de machine opnieuw te vullen.” Een zware opgave? Ze haalt de schouders op. “Wat is zwaar? Je hebt wat over voor je kinderen. Nee, ik doe het graag.”

Vader en moeder Willemsen zijn nauw betrokken bij de passie van hun beide zoons, zijspancrossers Daniël en Marcel. Moeder ontfermt zich

over de vuile was en slaat de proviand in wanneer de crossbroers uit Lochem zich opmaken voor een wedstrijd in het buitenland. Vader Willemsen, zelf ooit een fanatiek motorcrosser, vervult achter de schermen de rol van manusje-van-alles. “Monteur, adviseur, pr-man, verzorger - je kan het zo gek niet bedenken of hij doet het. Hij is ons geheime wapen”, zegt bakkenist Marcel, de jongste van de twee crossende

broers.

Morgen staat het echtpaar Willemsen langs het parcours in de bossen rondom Varsseveld, waar stuurman Daniël (23) en co-piloot Marcel (21) hun voorsprong verdedigen in de strijd om het Open Nederlands kampioenschap. Vader Willemsen zal het gejakker door de modder ditmaal van een afstand moeten volgen. Sinds twee weken ligt hij gestrekt op de bank nadat hij, uitgerekend op het thuiscircuit in Lochem, zijn heup brak. “Ik keek niet goed uit bij het inrijden. Voor ik het goed en wel in gaten had, werd ik ondersteboven gereden.”

Voor zijn beide zoons geldt de wedstrijd van morgen min of meer als een opwarmertje voor de volgende race. De zijspanbroers hebben hun zinnen dit jaar op de wereldtitel gezet. Met nog twee Grote Prijzen op het programma bezetten zij momenteel de tweede plaats in het WK-klassement. Slechts tien punten bedraagt hun achterstand op koplopers Kristers Sergis en Artis Rasmanis, de titelverdedigers uit Letland die de Willemsens vorig jaar op de valreep van de wereldtitel afhielden. Marcel: “Een ongelukkig einde van een jaar vol pech en blessures.”

Tegenslagen blijven dit seizoen achterwege, reden waarom de broers naar eigen zeggen bezig zijn met “het beste jaar ooit, terwijl het beste nog

moet komen”. Ter verklaring van hun succes wijzen ze op de bloedbanden binnen de zijspancross, waar opvallend veel familieleden een succesvol koppel vormen. Zo strijden behalve de Willemsens ook de Brabantse tweeling Janssen en de Duitse gebroeders Weinmann mee in het voorste gelid. Daniël: “Een goede combinatie wordt voor een groot deel bepaald door ervaring. Hoe langer je samen bent, hoe beter je gaat rijden. Marcel en ik zitten al bijna vijftien jaar met elkaar op de motor. Wij kennen elkaar door en door. Wij hebben geen geheimen voor elkaar en hebben aan een half woord genoeg om elkaar te begrijpen.”

Vertrouwen is nog zo'n sleutelwoord, benadrukken de broers. Marcel: “Omdat zijspancross geen ongevaarlijke sport is, moet je blindelings op

elkaar kunnen vertrouwen. Tijdens de wedstrijd neemt Daan de meeste beslissingen. Ik volg hem desnoods met de ogen dicht. Omdat ik hem vertrouw, en omdat hij mijn broer is.''

Stuurman Daniël waakt over de balans van de motor, kiest het juiste

spoor en instrueert zijn broer, die op zijn beurt halsbrekende toeren uithaalt om het evenwicht van de 500 cc-machine te bewaren en zodoende de snelheid vast te houden. De onderlinge taakverdeling ligt al vast sinds de broers op negen- en zevenjarige leeftijd het voorbeeld van hun vader volgden en op een 80 cc-zijspan klommen. Daniël: “Marcel is de jongste, dus was het logisch dat ik achter het stuur ging zitten en hij in de bak.”

Wisselen ze nooit van positie? Daniël: “Een hele enkele keer, maar

dan alleen tijdens de training en puur voor de lol.” Marcel: “Ik kan best een motor besturen, daar gaat het niet om. Maar daar ligt mijn kracht niet. Zet mij maar in de bak, daar voel ik mij het prettigst.” Met ingehouden woede moest hij vorig jaar toezien hoe zijn broer in twee

races met een andere bakkenist aan de start verscheen. “Ik was geblesseerd en dus ging Daan op zoek naar een vervanger. Leuk vond ik dat niet, maar ik begreep het wel. Tijdens de race stond ik langs de kant. Ik vond het geen gezicht om Daan met iemand anders in de bak te zien.”

Binnen het crosscircuit genieten de Willemsens grote populariteit, onder

meer dankzij hun gedurfde en koelbloedige manier van rijden. Niet zelden

slingert het tweetal zichzelf na een matige start alsnog naar de voorste

rij. Daniël: “Wij rijden aanvallend en agressief, altijd voorovergebogen over het stuur. De mensen willen een spannende wedstrijd

zien. Dat kunnen ze krijgen.''

En dus springen de broers met veel gevoel voor show over de zandbulten, het liefst zoveel mogelijk tegelijk. Marcel: “Hoe verder, hoe beter.” Met gepaste trots wijst hij op de foto boven de eettafel: met één arm triomfantelijk in de lucht zweven beiden door het luchtruim. Marcel, grijnzend: “Zo mooi kan motorcross zijn.”

Sinds vijf jaar beschikken de broers over een eigen fanclub, Het Daniël en Marcel Willemsen Cross Team. Meer dan honderdtwintig betalende leden telt de supportersschare inmiddels, met leden in Nederland, België, Duitsland en Frankrijk. In hun felgekleurde jacks zijn de aanhangers al op honderden meters afstand te herkennen. De

crossbroers genieten van de luidruchtige aanmoedigingen. Marcel: “Maar tijdens de wedstrijd laten we ons de kop niet gek maken.”

Die houding zou model kunnen staan voor de Achterhoek, de leefomgeving van de Willemsens waar 'gek' al snel 'gek genoeg' is en het motorcross ongemeen populair is. Beiden gedijen in de ongedwongen sfeer zoals die al meermalen werd bezongen door de popgroep Normaal. Marcel: “Als ik in

Amsterdam kom, is het net alsof ik in het buitenland ben. Iedereen doet maar wat-ie wil, zonder dat iemand oog heeft voor de ander. Niets voor mij. Laat mij maar lekker in de Achterhoek.''

Diezelfde gemoedelijke sfeer beheerst het zijspancrossen, waar haat en nijd volgens de broers onbekende begrippen zijn. Marcel: “In het solocross gunnen sommige coureurs elkaar het licht in de ogen niet. Daar

is het ieder voor zich en God voor ons allen. Heel anders dan bij ons.''

Daniël: “Zijspancrossers helpen elkaar. Als iemand een bepaald onderdeel nodig heeft, kan hij bij een collega terecht. Geen probleem.”

Geldt dat ook voor hun concurrenten bij de start van de beslissende race? Beide broers vallen even stil. Na een korte pauze neemt Daniël het woord. Bedachtzaam: “Die krijgen ze. Mits wij datzelfde

onderdeel in voorraad hebben.''

Zo bezeten als ze van het crossen zijn, zo afhankelijk zijn ze van het materiaal. Een defecte uitlaat of een kapotte kogellager en de broers staan langs de kant. Zoals twee weken geleden gebeurde toen ze nota bene

voor eigen publiek in Lochem voortijdig de strijd moesten staken wegens een gebroken gaskabel. Daniël: “Zo'n kabeltje kost vijftig cent. Sommigen doen daar een heel jaar mee. Wij hebben er dit jaar al een stuk

of vijf verbruikt.” Maar gefrustreerd? “Welnee, zonde van mijn energie.”

Sleutelen aan hun motoren doen de Willemsens vrijwel dagelijks. “We zijn nooit uitgesleuteld. Steeds ontdekken we weer iets nieuws waardoor we nog harder, nog sneller kunnen”, zegt Marcel, in het dagelijks leven

student werktuigbouwkunde aan de MTS. Hun passie voor zijspancrossen verklaren de broers dan ook door te wijzen op een in hun ogen unieke combinatie: snelheid, behendigheid en techniek. Daniël, werkzaam bij een bandenfabriek: “Daar kan niets tegenop.”

Zijspancrossen betekent een aanslag op lijf en leden, waarbij vooral de gewrichten het zwaar te verduren hebben. Maar ongezond? Nee, beweert Marcel. “Wie topfit is en geen rare dingen doet, loopt weinig risico's.

Ik loop en ik fiets. Op vrijdag gaan mijn vrienden stappen. Die jagen er

op een avond tweehonderd gulden doorheen en komen laveloos thuis als ik al lang en breed in mijn bed lig.” Moeder Willemsen valt haar jongste zoon bij. “Ze roken niet, ze drinken niet en weten dondersgoed waarmee ze bezig zijn.”

Toch sloeg vorig jaar de paniek even toe in huize Willemsen. Bij een race om het Open Duitse kampioenschap in Aichwald werden de broers van achteren aangereden door een Duits koppel. Ze sloegen over de kop en belandden met een zware hersenschudding in het ziekenhuis. Daniël met een gebroken rugwervel, Marcel met een op drie plaatsen gebroken jukbeen. Inmiddels hebben de broers het ongeluk naar de achtergond verdrongen. Marcel: “Kan gebeuren. Ik ben vijf dagen van de film kwijt.

Misschien is dat maar goed ook.''

Angst beweren de Willemsens niet te kennen, al erkennen beiden dat vooral de start soms chaotische taferelen tot gevolg heeft. Marcel: “Mijn vriendin slaat altijd de handen voor de ogen bij de start, net als mijn moeder. Sommige jongens doen de ogen dicht zodra de hekken vallen en draaien vervolgens de gashendel open. Wij kijken altijd even en nemen geen onverantwoorde risico's. Als het slim wordt en Daan wil dat ik rare dingen doe, zeg ik: bekiek 't maor.”

Bijgelovig beweren ze niet te zijn, maar zonder trol op het spatbord gaan de broers niet van start. Marcel: “Dat poppetje is een beetje ons handelsmerk geworden. Iedereen staat er bij de start even aan te plukken.”