ALS ROTGANZEN VEEL VOSSEN ZIEN SLAAN ZE HET BROEDEN JAAR OVER

Rotganzen zijn niet gek. Als in het Noordpoolgebied in hun nestelfase veel poolvossen aanwezig zijn, broeden de ganzen eenvoudigweg

niet (Ardea 86: 11-20). Nederlandse onderzoekers van onder meer het Instituut voor Bos-en Natuuronderzoek (IBN-DLO) volgen al jarenlang de broedverrichtingen van zwartbuikrotganzen (Branta bernicla bernicla) in Siberië. Als trekvogels maken die in het winterhalfjaar hun opwachting in onder meer Nederland - waarbij het altijd weer de vraag is

hoeveel jongen ze uit het hoge Noorden hebben meegenomen. Volgens een inmiddels stevig gevestigde folklore tellen talrijke vogelbespieders de dieren, om in Nederland af te lezen hoe het de lemmingen en poolvossen in het arctische gebied vergaat. Geen jongen betekent: veel poolvossen. Maar de meest voor de hand liggende redenering daarbij - massale eierroof en kuikenmoord door vossen - gaat niet op.

Het vanaf 1990 lopende onderzoek ter plekke, in Taimyr, omvat inmiddels twee volledige lemmingen-cycli. Die bestaan uit een zogenoemd lemmingen-piekjaar, waarin de knaagdiertjes, de Siberische lemming (Lemmus sibericus) en de gekraagde lemming (Dicrostonyx torquatus) talrijk zijn, en roofdieren als de poolvos (Alopex lagopus) volop jongen

groot kunnen brengen. In een daaropvolgend predator-jaar zijn volwassen roofdieren talrijk, maar moeten het inmiddels vrijwel zonder lemmingen als prooi stellen. Vogels en hun eieren en jongen krijgen het dan zwaar van poolvossen te verduren. Daarop maakt een derde, gemengd jaar de cyclus compleet.

Rondzwervende vossen waren ook in het predator-jaar 1992 talrijk en zij bezochten regelmatig de voor de kust gelegen eilanden waar de meeste ganzen broeden. In dat jaar kwamen de ganzen op tijd voor het broedseizoen op de eilanden aan, maar zij begonnen door nadrukkelijke aanwezigheid van vossen - ook van veraf waarneembaar door de boven hen cirkelende groepen schreeuwende meeuwen - niet met broeden. Niet werkelijke predatie, maar verstoring door vossen bleek dus de reden waarom ganzen in zo'n jaar geen jongen groot brengen.

Drie jaar later lag de zaak ingewikkelder. Ook dat jaar was officieel een predator-jaar, maar de voorafgaande winter eiste een zware tol van de vossen, inclusief menselijke jacht. Daardoor werd iets van de overvloed afgeroomd. Poolvossen bezochten de voor de kust gelegen eilanden nu nauwelijks, en dat jaar kwamen de ganzen wel tot broeden. Zij namen hun jongen echter niet, zoals gebruikelijk, mee naar het voedselrijke vasteland, maar bleven met hen op de eilanden - wellicht omdat ze een indruk gekregen hadden van hoge vossendichtheid op het vasteland. Op die eilanden verging het de jongen niet goed, zij werden vrijwel alle opgegeten. Niet door vossen, maar door meeuwen.

Het lijkt er volgens de onderzoekers op dat de dieren zich na de winter wel voorbereiden op het broeden, maar tijdens het laatste gedeelte van hun trek op grond van talrijke ontmoetingen met poolvossen en sneeuwuilen op de hoogte raken van de roofdierstand. Paartjes splitsen zich dan niet zoals gebruikelijk al tijdens die trek af om zich voor te bereiden op het broedseizoen, maar blijven in de groep. Als de situatie in het eigenlijke broedgebied dan ook nog eens tegenvalt, sparen ze energie door een jaartje over te slaan. In zogenoemde fitness-termen is verlies van een broedseizoen overigens kostbaar voor een individueel dier: de gemiddelde rotgans blijkt slechts zeseneenhalf jaar oud te worden, het dier begint pas met broeden in het derde jaar. (Frans van der Helm)