Zanderig geluk; De wording van het strand

Lena Lencek and Gideon Bosker: The Beach. The history of paradise on earth. Viking, 245 blz. ƒ 65,55

Jane Austen schreef in haar satirische roman Sanditon over de kust: 'Geen enkel mens kan in goeden doen zijn (...) of in een toestand van zekere en constante gezondheid zonder op z'n minst zes weken per jaar aan zee door te brengen. De zeelucht en het zeebad samen zijn bijna onfeilbaar, of de een of de ander overwint kwalen van de maag, de longen of het bloed. Zeelucht en zeebad zijn tegen krampen, tegen longziekten, tegen reumatiek en antiseptisch. Niemand kan aan zee verkouden worden, niemand heeft aan zee opwekkende spijzen of dranken nodig, niemand is krachteloos. Zeelucht is genezend, verzachtend, ontspannend, versterkend en opwekkend - naar het schijnt zoals gewenst: soms de een, dan de andere. Als de zeebries niet helpt is het zeebad een zeker middel tot verbetering. En als het bad niet passend is zorgt de zeewind duidelijk voor verbetering.'

Het is niet niks wat hier allemaal wordt beweerd en er valt ook wel het een en ander te betwijfelen, maar in grote lijnen dekt Austen's tekst wel hetgeen in The Beach wordt beweerd: zee en strand boven alles. De kuststrook wordt verheerlijkt in een behoorlijk volledig verhaal: de geschiedenis, de gewoontes - inclusief mode - de gebeurtenissen en de schandalen. 'Het leven kent drie fases: geboorte, strand en dood.' Ziehier het credo van Lena Lencek en Gideon Bosker, een Amerikaans echtpaar dat zich de taak heeft gesteld het strand in al zijn aanzichten en geledingen te boek te stellen. Het is een uitgave geworden die ruikt naar het zout van de zee en schittert als zand in de ochtendzon.

Tegenwoordig vormen turquoise branding en kristallen zand de favoriete rust- en speelplaats van miljoenen. Maar dat was niet altijd zo, historisch gesproken is het strand van recente datum: het heeft honderden jaren geduurd voor de kust werd ontdekt en omgetoverd tot theater van plezier. In de klassieke oudheid riep het strand tegenstrijdige gevoelens op: beangstigend niemandsland als voorportaal van de dood tot een grote verering. Cicero schreef: 'Hoe machtig is de schoonheid van de zee, de aanblik van haar grootsheid, de veelsoortige eilanden en de verrukkelijke kusten.' Toen ook gold het gezegde: een imbeciel is iemand die niet kan lezen en zwemmen. Het strand werd een plaats voor rust, meditatie, gezamenlijk plezier en ongebreideld hedonisme. Ook in de middeleeuwen heersten tegengestelde opvattingen: de oceaan was onherbergzaam, een vervloekte wereld waar groteske figuren elkaar als kannibalen verscheurden en de krachten van de hel teugelloos regeerden. Maar in de late middeleeuwen herontdekte men de geneeskrachtige mogelijkheden en verheerlijkte men de stranden als plaatsen voor sociale activiteiten.

In de 18de eeuw werden de badplaatsen de ideale wereld voor de 'leisure-class', de aristocratie die weinig om handen had. In de ochtend ging men baden om gezondheidsredenen. De middag werd gebruikt voor sociale contacten en de avonden voor uitgebreid dineren en feesten. Het waren slechts de oningewijden die ook na de lunch gingen zwemmen.

Tussen 1810 en 1850 was het strand het domein van de romantici, waar de stralende, veranderende oppervlakte van de zee de spiegel was van de natuur en de diepten van henzelf. De zee was tegelijkertijd moeder en minnares, zowel bron van vitaliteit als vertegenwoordiger van verzwakking. Wordsworth, Coleridge, Shelley, Keats, Byron, Turner, Constable, Friedrich en tenslotte Herman Melville in Moby Dick (1851): 'De zee is een lieflijk geheim waarin de ontzagwekkende bewegingen spreken van een verborgen ziel.'

Reizen

Zwemmen was een religieuze belevenis, een nieuwe geboorte. In de 19de eeuw begonnen de echte grote reizen, eerst door eerder genoemde 'leisure-class', zoiets als de niet-werkende klasse en later, toen Thomas Cooke reizen voor iedereen ging organiseren en al helemaal toen in 1870 de eerste slaaptrein verscheen: 'Wagon lits', geesteskind van de Belg George Nagelmakers. Het strand werd meer en meer een oord van vreugderoes. Impressionisten vierden het sensuele plezier van dat strand. Monet, Renoir, Degas, Corot, Jongkind, Courbet e.a. maakten de kostbaarste reisfolders in de geschiedenis van het toerisme. In dit verband dient de Franse Rivièra genoemd (zie ook het voortreffelijke boek van Mary Blume, Côte d'Azur - Inventing the French Rivièra) die in The Beach, dat toch al erg op Amerika is gericht, te weinig aandacht krijgt. Aan de Rivièra ontstond een strandcultuur die zijn weerga niet kende: de schatrijke Murphy's, Scott Fitzgerald, Ernest Hemingway, Rudolph Valentino, Mistinguette, John Dos Passos, Cole Porter, Picasso, Man Ray en nog zoveel anderen maakten van het strand en bijbehorende mode een waarlijk nieuwe trend. En die bleef voor aficionados tot vandaag de dag.

De Rivièra was toen een legende geworden die niet leed onder de bedenkelijke naam. Prinsen, prinsessen, markiezen en hertogen, bonafide en vals, bankiers en oplichters, ze mengden zich zonder aanzien des persoons in de vrolijke draaimolen. Steenrijke weduwen en over het hoofd geziene vrouwen brachten hun dagen door in ledigheid en met zwemmen. De saaie avonden verdreven zij in de armen van 'danseurs mondains', per uur te huur. De transparante hemel als decor voor surrogaat-blijdschap. Overigens mankeren uit latere tijden vedettes als Brigitte Bardot, Françoise Sagan en Bernard Buffet.

En dan wat betreft Holland. In de 18de eeuw was het - met de Engelsen als initiatiefnemers - voor jongelui van stand verplicht een Grand Tour te maken, een grote reis, waarbij ze bijvoorbeeld de Romeinse ruïnes gingen bekijken die nu tot vervelens toe iedere reisgids aankleven. Welnu, als deze gebenedijden in Holland kwamen waren ze diep onder de indruk. Holland was het genie dat erin was geslaagd de oceaan te temmen, overal waren duidelijk tekens van 'hoe de beschaving de zee rustig aan zich onderwierp'. Vissersboten, koopvaarders met rijkdommen uit verre landen, botenbouwers op het strand, kortom, een volk van Zee, Kust en Werk. Schilders als Jan van Goyen en Salomon van Ruysdael toonden wat het oog zag en schiepen daarmee een nieuwe, aangename perceptie van het strand. Tenslotte wordt als meest geavanceerde technische oplossing de waterkering van de Oosterschelde (1986) genoemd. Geen woord over onze geliefde Waddeneilanden (afstand van duinvoet tot vloedlijn ongeveer één kilometer). Dat neemt niet weg dat de auteurs een behoorlijk volledig en diepgaand onderzoek hebben gedaan en dat, zij het wat ongecoördineerd en rusteloos, kundig weten te beschrijven. Wèl is het jammer dat zij ieder hoofdstuk 'literair' beginnen. Volkomen overbodige mooischrijverij in dit standbeeld voor het strand.

Bijverschijnselen

Het waren de Engelsen die het eerst zeebaden namen als vorm van therapie (vooral voor TBC) en boetedoening. Zij waren het ook die in het begin van de 19de eeuw het subtropische klimaat van de Middellandse Zee ontdekten en zeer gewillig open stonden voor de (strand)lessen in hedonisme zoals rond die zee gebruikelijk waren: geniet maar van je tijdelijkheid. Later door geheel Europa nagevolgd.

Het eerste zwempak van de Engelsen was de huid - in feite baadden de Engelse dames en heren honderd jaar lang bloot. En geen hond die ermee zat. Tot de laatste decennia van de achttiende eeuw. Een handjevol dames ging echter nog door met naaktzwemmen, zeer tot genoegen van de Peeping-Toms.

De mannen bleven tot ver in de 19de eeuw bloot zwemmen, zeker toen King George III naakt zijn ceremoniële duik te Scarborough nam. In Scheveningen, Biarritz en Ostende kleedden de heren zich uit aan de vloedlijn. Hun garderobe werd overhandigd aan jonge vrouwen - veelal dochters van vissers - die hen ook met de verkleedpartij hielpen. Zo rond het midden van de 19de eeuw gingen de dames baden in wollen jurken, de mode was hen een zorg. De mannen bleven naakt zwemmen, maar gingen langzamerhand over tot de caleçon, een zwembroek met pijpen, later gevolgd door het zogenaamde University Costume: het complete badpak voor heren. Enige decennia later gingen jonge vrouwen een soortgelijk badpak dragen. Het was ook de tijd van het 'grote plezier' aan het strand, zo werden wals en polka getransponeerd tot dans in de branding.

In het laatste decennium van de 19de eeuw ontstond de Freikörperkultur samenhangend met macrobiotisch eten, onbespoten groente en vooral nudisme. Zwemmen en een vrije seksuele moraal waren de meest belangrijke wegen om fysieke vrijheid te tonen. Terug naar de natuur. Tussen 1900 en 1920 stortte het zakenleven zich op de badmode - de zwempakken werden, met bijvoorbeeld applicaties, steeds kostbaarder. In Amerika begon 'Jantzen' de massaproduktie die hij zelf stimuleerde met een 'coast-to-coast learn to swim week.'

In 1912 kwam er een ingrijpende verandering in de zwempakken: als bij toverslag verdwenen de ingebouwde korsetten en andere voorgevormde toestanden om als vormgever te worden vervangen door het menselijk lichaam zelf. Mooi of niet. En het duurde tot 1937 voor de mannen eindelijk het borstdeel van het zwempak konden weglaten en in zwembroek te water gaan.

De 'Roaring Twenties' brachten een nieuwe, massale trek naar de kust met als baken: 'We zien wel' - dolle braspartijen, alcoholische vrolijkheid en uitzinnig plezier. Deze jaren brachten ook een andere verandering mee: was tot in de 19de eeuw de witte huid het statussymbool van de bevoorrechte, in het begin van de 'Roaring Twenties', tot op heden, kon en kun je niet bruin genoeg zijn.

D.H. Lawrence schreef: 'Een wit, niet gebruind lichaam is visachtig en ongezond.' Overigens kan ik mij niet herinneren of Esther Williams in, bijvoorbeeld 'Neptune's Daughter' wel of niet gebruind was. Ze wordt in het boek terloops genoemd, evenals de fameuze film 'From here to eternity' en de evergreen 'Itsy Bitsy Teenie Weenie Yellow Polkadot Bikini.' De bikini. Niemand weet waarom ene Franse heer Réard dit vluchtige stukje kledij zo benoemde. Wèl dat de naam ontstond drie weken nadat het gelijknamige atol via een atoomexplosie uit de Pacific was geblazen. 's Werelds meest karige, tweedelige badpak was meer dan kleding: het was een mentaliteit.

En nu? Vanaf 1952 was er weer een nieuwe zwemmode: het geconstrueerde zwempak. Fabrikanten maakten zwempakken voor de massa, zwempakken die het hele gamma van 'een goed uiterlijk' bestreken. Desnoods door merkwaardige kunstgrepen en ijzerwerk. Mensen komen nu ook naar het strand om te laten zien hoe prachtig ze oud zijn geworden, hoe goed ze hun lichaam hebben onderhouden. En indien enigszins mogelijk in string en/of monokini.

Het strand op zich verandert nooit. Wèl ziet men na het vertrek op zondagmiddag, een berg sigaren- en sigarettenpeuken, plastic bekers en flessen, blikken, kauwgum, kranten, weggooiaanstekers en luiers als bewijs dat de moderne strandfreak langs is geweest.

Maar hoe het ook zij, de overgangszone tussen zee en land vertegenwoordigt het Walhalla voor de 20ste (en 21ste) eeuwse gelukszoeker. Of je ideale plek een verlaten duin is, een overbevolkte badplaats met casino's of een luie stoel onder een overwerkte airco, ontdek hoe het strand is geworden tot de plaats waar iedere golf van bezoekers een eigen paradijs kan creëren. Dat is het aantrekkelijke van wat de auteurs van The Beach schetsen: de ontwikkeling van een aan de rand van de beschaving hangende woestenij tot een schouwtoneel voor vlucht uit de werkelijkheid èn ontspanning.

Al met al is The Beach een boek waarvan de woorden voelen als zacht zand, omspoeld door blauw water. Een monument voor de kust.