Wonen in het verleden

Alex Hendriksen: Watergraafsmeer, binnenzee, polder, lustoord, stadsdeel. Boekhandel Linnaeus, Middenweg 39, 1098 AC Amsterdam, 144 blz. ƒ 32,50

In 1921 verloor de gemeente Watergraafsmeer haar zelfstandigheid, en daar zijn haar bewoners nog steeds niet overheen. Dat kan men althans afleiden ujit het stroompje van nostalgische boeken dat uitmondt in deze voormalige binnenzee, alweer driekwart eeuw deel uitmakend van Amsterdam.

Nu is 'de Meer' inderdaad nog altijd anders. Wie dit stadsdeel betreedt, bij vorobeeld via de drukte Linnaeusstraat, voelt zich geleidelijk decennia terug in de tijd verplaatst.

Het wordt stiller, het tempo trager. Op straat zijn veel minder allochtonen te zien dan elders. Wel scharrelen overal langs de Middenweg in het hart van de wijk tientallen kippen vrij rond. Waarschuwingsborden tonen een grijze kwak met daarboven het woord 'reigers!' Etaleges tonen kleding voor burgerlijke dames. Er is veel groen. Slechts één onderwerp kan de brave dorpelingen tot razernij brengen: betaald parkeren. De polder Watergraafsmeer heeft, kortom, niet zozeer een verleden, hij is het verleden.

Een nadeel van dit achterlopen was tot nu toe dat de betuigers van hun liefde voor deze idylle weliswaar het alfabet beheersten, maar de schrijfkunst niet echt machtig waren. Daarom nam de serieuze plaatselijke boekhandel Linnaeus het initiatief de geschiedenis van de polder nu eens te laten vertellen door een professionele historicus in plaats van een enthousiaste, doch warrige amateur. Het resultaat is een compact en helder geschreven boek, dat samen met de vele illustraties een redelijk afgerond beeld van 'De Meer' geeft.

Auteur Alex Hendriksen volgt de chronologie vanaf de zeeslagen die Watergeuzen en Spanjaarden elkaar boven het huidige kippen- en reigerparadijs leverden, tot de versmelting van de stadsdeelraad Watergraafsmeer met die van het naburige Amsterdam-Oost in 1998. In de tussentijd gebeurde de inpoldering van 1629, de kolonisatie van rijke Amsterdamse patriciërs die er hun buitenhuizen en lusthoven neerplanten, en de transformatie in een gewone agrarische gemeente toen de landgoederen door de algemene verarming aan het einde van de Napoleontische tijd in verval waren geraakt.

Ook nadat de Amsterdamse bourgeoisie in de tweede helft van de vorige eeuw de geneugten van het landleven herontdekte, en zo dicht mogelijk bij de stad fraaie herenhuizen liet bouwen, werd de kop met de gouden eieren niet geslacht. Het groen kon zich handhaven dankzij drie sterke kernen: de vestiging van de Amsterdamse stadskwekerij op het laatst overgebleven landgoed Frankendael, de verplaatsing van de Oosterbegraafplaats uit het huidige Oosterpark naar de Watergraafsmeer, en de aanleg van het uitgestrekte sportveldencomplex rond het Ajax- stadion. Nu pas, na de verhuizing van Ajax en de opheffing van de kwekerij, komt het landelijke karakter van de polder echt onder druk te staan, signaleert Hendriksen terecht.

De auteur laat ook enigszins illustere Meerbewoners als Nescio, Johan Cruijff en het gezin Van het Reve de revue passeren. Jammer genoeg verzuimt hij te wijzen op degenen die onder de - in het boek slechts aangestipte - Duitse bezetting een belangrijke rol hebben gespeeld bij de oprichting van het verzetsblad Vrij Nederland. Eind 1940 kreeg VN vorm in de gereformeerde lagere school aan de Hoogweg (nu Hogeweg). Al een paar maanden later werden de meesten van deze groep, overwegend Watergraafsmeerders, door de Duitsers gearresteerd.