VERLANGEN NAAR DE HORIZON; Sportboeken zijn volmaakte literatuur

Van alles hebben we geleerd over de roman, maar nooit leerden we over de spanning die een roman teweeg kan brengen. Boeken over sport, zoals 'Nooit meer slapen' van W.F. Hermans of het 'Himalaya-dagboek' van Bart Vos, sleuren de lezer mee, of hij wil of niet.

H.M. van den Brink: Over het water. Uitg. Meulenhoff, ƒ 24,90 W.F. Hermans: Nooit meer slapen. Uitg. De Bezige Bij, ƒ 39,50 Jon Krakauer: De wildernis in. Uitg. Bert Bakker, Ooievaar Pocket, ƒ 12,00 Jon Krakauer: Dromen van de Eiger. Uitg. Prometheus, ƒ 29,90 Jonathan Raban: Langs de kust. Uitg. Contact, (Uitverkocht.) Coasting. Uitg. Macmillan, ƒ 30,95 Joe Simpson: Over de rand. Singel Pocket, ƒ 15,00 Henk de Velde: Een sfeer van onrust. Uitg. Elmar, Rijswijk, ƒ 29,90 Henk de Velde: Zwaaien naar Bluff. Uitg. Elmar, ƒ 29,50 Henk de Velde: Het antwoord van de albatros. Uitg. Elmar, ƒ 29,50 Bart Vos: Himalaya-dagboek. Uitg. Nijgh & Van Ditmar, ƒ 19,90

Een verhaal: een jongeman zwerft met zijn steeds zwaarder wordende rugzak, geteisterd door wolken muskieten, in het onherbergzame noorden van Noorwegen. Zijn enkels zwikken bij elke stap. Hij drinkt water uit beekjes. De weidsheid van het land is angstaanjagend. Hij is op zoek naar kraters die de inslag van meteorieten in het land veroorzaken.

Een ander verhaal: twee jongemannen beklimmen, verbonden met een veiligheidstouw, de ijzige steilte van de Siula Grande in Peru. Dat touw betekent zekerheid en tegelijk gevaar; valt de een, kan de ander hem nog redden. Lukt dat niet, dan zullen beiden in de diepte storten. Vlak na de triomf het hoogste punt bereikt te hebben, verbrijzelt een van de klimmers zijn been. Wie op deze hoogte zo'n ongeval overkomt, is ten dode opgeschreven. Toch probeert de niet-gewonde de gewonde te redden. En dan tuimelt de onfortuinlijke van de twee klimmers dertig meter omlaag in een ijsgrot.

Een paar uur lang probeert zijn kameraad, sjorrend aan het touw en geklemd tegen de bevroren steile wand, hem uit de diepte terug te halen. Het lukt niet. Ten einde raad en dodelijk vermoeid snijdt de niet-gewonde het strakgespannen touw met een kleine haal door. Zijn makker valt verder omlaag. Hijzelf daalt, gekweld door gruwelijke gedachten over dood en schuld, af naar het basiskamp, naar hulp, een warme slaapzak, thee. Maar is de vriend wel dood?

De jongeman uit het eerste voorbeeld is Alfred Issendorf, de hoofdpersoon in Nooit meer slapen van W.F. Hermans. Niemand zal Hermans ervan betichten met deze roman een boek over sport geschreven te hebben. Toch ben ik ervan overtuigd dat Hermans een van de eerste sportromans in de Nederlandse letterkunde schreef. Niet zozeer over de berg- of de klimsport, maar de sport om, lopend, trekkend, almaar verder gaand op eigen kracht de grens van het menselijke vermogen te bereiken. Tot de rand van de dood, zelfs. Of eroverheen. Niet voor niets behoort het verslag van een moeizame Himalaya-expeditie tot Issendorf's favoriete literatuur.

Met het tweede verhaal doel ik op het boek Over de rand (Touching the Void) van de Amerikaanse bergbeklimmer Joe Simpson. Het is het adembenemende relaas van twee bergbeklimmers die, door een reeks ongelukkige voorvallen, een strijd op leven en dood voeren. Niet alleen met elkaar, ook elk voor zichzelf en vooral natuurlijk met de ongenaakbare berg in de Andes, die de indringers van haar weerbarstige flanken af wil schudden.

Verbeelding

Simpsons boek behoort tot het domein van de non-fictie. Het is niet ontsproten aan de verbeelding. Er verschijnen jaarlijks talloze vergelijkbare boeken: over solozeilers die rond de wereld varen, fietsers langs de zomen van de Noordpool, avonturiers die per kano de Atlantische Oceaan oversteken, wielrenners die vol doodsverachting vanaf een col naar beneden suizen.

Uiterlijk hebben deze boeken één verschijnsel gemeen: ze zijn voorzien van foto's en kaarten. Kijk, zegt dat illustratiemateriaal, daar waren we. Deze foto bewijst dat we de top van de Mount Everest bereikten en deze dat ik wel degelijk de levensgevaarlijke rotsen van Kaap Hoorn rondde. Het wonderlijke is, dit geldt eveneens voor Nooit meer slapen van Hermans. Op het omslag prijkt een foto van een eenzame jongeman, gezien van achteren, die door hetzelfde verlaten landschap doolt als Alfred Issendorf. De opname werd gemaakt door Dr. W.F. Hermans, net zoals Joe Simpson zijn foto's nam van de Siula Grande.

Boeken met sport als inzet handelen altijd over de geheime band tussen de hoofdpersoon en het instrument of het object van zijn obsessie: een wielrenfiets, de zeil- of roeiboot, de top van de berg. Lichamelijke en mentale kracht drijven iemand voort. Telkens is het een zelfgekozen uitdaging, ondernomen om volstrekte vrijheid te ervaren, vaak ook om verlost te zijn van gevoelens of pijnlijke herinneringen. Alfred Issendorf zoekt weliswaar naar die kraters, maar meer nog verlangt hij bevrijd te worden van beklemmende gedachten aan zijn ouderlijk huis. Hoe uitgeputter hij is, des te meer komt hij los van vroeger.

Simpson zoekt hetzelfde. Hij schrijft over het hooggebergte: 'Het was wonderbaarlijk rustgevend om hier te zijn. Ik kreeg een gevoel van volledige vrijheid, de vrijheid om te doen en te laten wat ik wilde en op de manier die mij het beste uitkwam. Opeens werd alles anders.' Hermans laat Issendorf denken: 'Ik ben nergens bang voor. Er valt niets te vrezen voor iemand die geen keus heeft, iemand die maar één ding te doen overblijft: datgene wat hij niet kan!' In deze zin verwoordt Hermans de puurste sportgedachte: iets ondernemen waarvan je denkt dat het onmogelijk is. Van iedereen winnen, bijvoorbeeld. De snelste te zijn, of de sterkste.

In de novelle Over het water van H.M. van den Brink, nadrukkelijk als een letterkundig werk ontvangen, staat verrassend veel geschreven over de ranke, cederhouten roeiboot van twee vrienden, de twee zonder stuurman. De band met die boot is intens. Na lezing van dit boek kan niemand meer terloops naar een roeiboot kijken, zo is dat object tot leven gekomen. Van den Brink schrijft over de ik-persoon die, net als Alfred Issendorf of Joe Simpson, in een eindeloze krachtmeting met zijn fysieke beperkingen is verwikkeld: “Mijn lichaam lag steeds op mijn hersens voor, het had het commando van mij overgenomen en stortte zich met dwaze, ongerichte energie de wedstrijd in. Uit mijn ooghoeken zag ik geen soepel vastpakken en loslaten van het water maar fonteinen die opspatten wanneer we het blad in de golven hakten.”

Tim Krabbé geeft in zijn, inmiddels klassieke, roman De Renner tal van uitweidingen over versnellingen waar ik, als niet-wielrenner, weinig van begrijp. En toch spreken al die wederwaardigheden tot mijn verbeelding, net als de passages over de roeiboot bij Van den Brink of de uitleg van Simpson over bergflanken, over de scherpe kam die een 'graat' heet, over verschillende soorten sneeuw en ijs. Krabbé schrijft een mengvorm van literair proza en sportverslaggeving, zoals in de volgende zin: “Hij wringt zich heen en weer, hij kijkt achterom, hij schakelt, zijn ketting ratelt over de kransjes, op zoek naar het wonderverzet dat zijn pijn uit zal wissen.”

Van alles hebben we geleerd over de roman, ons leven lang; dat die gelaagdheid moet bezitten, psychologische rijkdom en ontwikkeling, een tikkeltje Vatersuche hier, een toefje Oedipus daar. Dat achter het vertelde verhaal een ander verhaal schuilt, dat de roman een visie op de wereld uitdrukt, dat de gebeurtenissen slechts metaforen zijn. Wat heb je eraan. Nooit leerden we over de spanning die een roman teweeg kan brengen. De hand van de schrijver die de lezer in zijn nek grijpt en, op het moment dat het de schrijver behaagt, die inmiddels af en toe koud geworden nek loslaat. Dan zijn we honderdvijftig of driehonderd bladzijden verder.

Allure

Over de rand van Simpson is razend spannend, en tegelijk is het een van de beste literaire en gelaagde romans die ik ken. De schuldvraag over het doorsnijden van het touw geeft hem de allure van een klassieke tragedie. Hetzelfde geldt voor het prachtige Langs de kust (Coasting) van de Engelsman Jonathan Raban, het Himalaya-dagboek van Bart Vos en de twee indringende werken van de Amerikaan Jon Krakauer, De wildernis in (Into the Wild) en Dromen van de Eiger (Eiger Dreams).

Het opmerkelijkste is dat alle bovengenoemde auteurs intense lezers zijn. Jonathan Raban sleept in zijn boot, de Gosfield Maid, een volledige bibliotheek mee; Bart Vos leest in de Himalaya het werk van F.B. Hotz. Een geval apart is de Nederlandse zeiler Henk de Velde. Zijn drie verslagen van zijn solo's rond de wereld, Een sfeer van onrust, Zwaaien naar Bluff en Het antwoord van de albatros, verraden een hang naar het literaire. Zijn stijl is barok, persoonlijk en overstromend van gevoel, terwijl de anderen juist heel precieze, vaak afstandelijke waarnemers zijn. Toch, in de reisbibliotheek van De Velde bevinden zich, behalve Het 100.000 stratenboek, de Bijbel, On the Road van Kerouac, Alleen naar de top van de bergbeklimmer Reinhold Messner, Het land van herkomst van Du Perron, Verzamelde gedichten van Slauerhoff, Het dodenschip van Ben Traven en, fraai toeval, het Himalaya-dagboek van Bart Vos.

Sportboeken zijn avonturenromans in de klassieke betekenis van het woord, de hoofdpersonen zijn ridders op zoek naar de Heilige Graal en de ontberingen die zij moeten lijden zijn de noodzakelijke voorwaarden voor een hoger inzicht. Wat hen voortstuwt, is het verlangen naar de horizon, naar het 'bijna over de rand' gaan, zoals Simpson het formuleert. Hun boeken zijn geladen met ongedurigheid. Is de overwinning eenmaal bevochten, dan dienen zich meteen nieuwe uitdagingen aan. Alleen in de lichamelijke inspanning liggen geluk en vergetelheid besloten.

De sportschrijvers leven zich beslist niet uit in stoere jongensverhalen; Simpson jankt in zijn boek van pijn en eenzaamheid. Vos en De Velde zijn ten prooi aan heftige aanvallen van vertwijfeling en angst. Datzelfde geldt voor de ik-figuur uit Over het water: wanhoop en onzekerheid verlammen hem.

Jonathan Raban bezit een koele Angelsaksische distantie, maar het slot van zijn boek is aangrijpend en de lezer weet iets heel zeker: na zijn zeiltocht rond Engeland komt hij nooit meer thuis. Raban vertrok, net als zoveel anderen, uit onvrede. Sportromans zijn vluchtboeken: Alfred Issendorf ontvlucht de benauwenis van zijn familie, Simpson wil weg van de lusteloosheid, De Velde verlangt ernaar zijn banale sores achter de horizon te zien verdwijnen.

Maandenlang scharrelde Raban aan de rand van de bewoonde wereld, in havenplaatsen en kustdorpjes. Daar ontmoet hij mannen in dezelfde situatie als hij: mannen alleen, gescheiden, werkeloos, met te veel verdriet in hun leven, en altijd wachtend op die ene vrouw die hun dromen over varen zal delen. Mannen die onderweg zijn, nergens naartoe. Raban voert met een caféhoudster een kort gesprek over reizen. “Maar waarheen dan?” vraagt zij. Antwoord: “Oh - you know. Abroad.” En in gedachten voegt hij eraan toe: “Reizen. Een onovergankelijk werkwoord. Een staat van leven, niet een reis met een doel.” Het doelloze schuilt zelfs in de bergbeklimboeken. Ogenschijnlijk heeft een bergbeklimmer wel een doel: die en die top. Maar heeft hij die bereikt, dan wil hij alle hoogste bergen op de zeven contintenten beklimmen. En is dat gelukt dan weer van een andere berg de nooit eerder beklommen levensgevaarlijke zuidflank of steile noordwand. Intussen blijven ze verlangen naar huiselijkheid en een vrouw op de bank. Krakauer zegt het in Dromen van de Eiger zo: 'Tijdens een eindeloze klim in een storm vecht ik voor mijn leven, tot ik bij een deur in de rotswand aankom. De deur leidt naar een warm vertrek met een open haard, een tafel met dampende schotels en een comfortabel bed. De deur is in deze droom meestal gesloten.'

Ondanks talloze huiveringwekkende scènes beschrijven deze boeken meer dan een flirt met de dood. Ze zijn het verslag van zuiver moeten, waartegen geen weerstand bestaat. Zeezeiler De Velde is een Godzoeker, een Hemeljager. De zee geeft hem antwoord op de levensvragen.

Vorm, stijl, compositie, diepte, gelaagdheid: aan deze literaire eisen voldoen deze sportboeken, fictie en non-fictie. Zelden is alleen bergbeklimmen het onderwerp, of zeilen, roeien, wielrennen en dolen. Bart Vos, hartstochtelijk lezer van fictie, verweeft veel romanelementen in zijn dagboek. Hij geeft een intieme terugblik op zijn jeugdjaren, die in geen enkele literaire roman zou misstaan, maar die terugblik heeft een functie: hij wil begrijpen waarom hij zo nodig vrouw en kind maandenlang alleen laat en de dood van zijn vader niet meemaakt. Daarmee is de beklimming van de Himalaya een metafoor voor een leven dat maar niet in harmonie met zichzelf en zijn omgeving wil raken.

Boeken over sport gaan vaak over andere zaken dan sport, zoals dood, liefde of het gemis daarvan, vriendschap, schuld. Jonathan Raban verwoordt het zo: 'Mensen die proberen hun weg te schreeuwen uit het labyrint.' Dat labyrint heet het leven, met al zijn verwachtingen en desillusies. Nooit meer slapen en Over het water brengen dit labyrint evenzeer in kaart als Over de rand of Dromen van de Eiger. Volmaakte literatuur.