Verhuisd

Ze vond het huis zo mooi dat ze er altijd naar toe wilde. Dat kon. Haar vriendinnetje woonde er en ze mocht zo vaak op bezoek komen als ze maar wilde. Het huis lag niet ver van het park. Als 's zomers de ramen openstonden hoorde je zachte stemmen en tinkelende glazen. Dat geluid kwam van een terras waar de mensen zaten te drinken en te praten.

Het huis had een kelder en een zolder en daartussenin wel zeven kamers. De meeste huizen die ze kende waren van binnen zo wit. Hier waren de trappen en de deuren bruin gebleven. De verf was natuurlijk wel eens vernieuwd en toch leek het net of ze daar samen met haar vriendin in een andere eeuw liep.

Sommige schilderijen hadden gouden lijsten met van die prachtige krullen. Dan zag je een landschap waar je helemaal in verdween. Het was zo dichtbij en toch heel ver. Het liefst keek ze naar een tekening, die boven een tafeltje met hoge poten hing. Je zag een vrouw met halflang haar. Het hing tot over de schouders. Boven op haar hoofd zat het zo slordig in een paar vlechten. 't Was zo grappig opgestoken met een wegspringende pluk opzij.

Haar vriendin zei dat de vrouw wel vijfhonderd jaar oud was. Ze zat al heel lang in de familie. Toen haar grootmoeder stierf hadden haar ouders de tekening ge¨erfd. Denk maar niet dat de twee meisjes altijd naar de vrouw keken. In dat grote huis kon je van alles spelen. Als er bezoek was gingen ze naar de zolder. Die stond vol afgedankte meubels, een verveloos hobbelpaard en andere overbodige dingen die je voor elk spel kon gebruiken.

Maar bij het afscheid stonden ze toch weer voor die tekening. De vrouw zag eruit of ze net iets had gezegd. Wat en tegen wie? Altijd raadden ze er naar. Nooit kwamen ze er achter.

Op een dag ging haar vriendin verhuizen. Haar vader moest werken in een andere stad. Ze hadden er erg om gehuild, maar het was niet anders. Ze zouden elkaar schrijven en opzoeken. Dat sprak vanzelf. Op de dag dat de familie vertrok liep ze naar het huis bij het park. De verhuizing was in volle gang. In kisten en dozen zaten dingen die ze goed had gekend. Daar gingen de meubels waarop ze had gezeten. Wat was het gek om die niet binnen maar buiten te zien. Zelfs het hobbelpaard mocht mee.

De meisjes begonnen te huilen, omhelsden elkaar en lachten toen maar weer. Wat konden ze anders doen? Kom eens hier, zei de vader. Hij maakte een doos open. Daar lag de vrouw met de vlechten. Heel even kon ze nog naar haar kijken. Wat zou ze vijfhonderd jaar geleden hebben gezegd?