Roman van Gerard Reve; Orde in de droefheid

Gerard Reve: Het hijgend hert. L.J.Veen. 182 blz. ƒ39,90 (geb.) ƒ 29,90 (pbk)

Toen de gestalte de rand van het moeras genaderd was, hurkte Wessel achter een vlierstruik op het gras neder. De gedaante kwam nu in het open veld, en Wessel kon alles zien zonder zelf gezien te worden. Neen, de man was niet geheel naakt, maar het enige dat hij aanhad was een dunne lange onderbroek die tot onder zijn knieën reikte. Hij was blootsvoets, ook al iets dat op Wessel indruk maakte. 'Toch moet je straf hebben', mompelde hij. Uit Gerard Reve: Het hijgend hert

God dobbelt niet, zei Einstein, maar bij Gerard Reve, op wiens schrijverschap Zijn waakzaam oog toch bij voorkeur zou moeten rusten, lijkt het er vaak wèl op. Wat Reve de laatste vijfentwintig jaar heeft geschreven bestaat uit een wonderlijk ongelijksoortige mengelmoes, hoewel vorm en thematiek nauwelijks variatie vertonen. Aan de ene kant zijn er hoogtepunten als Moeder en zoon en Het boek van violet en dood, aan de andere kant dieptepunten als Wolf en Bezorgde ouders. Waarom het ene boek wel is gelukt en het andere niet - het valt moeilijk te zeggen.Het hijgend hert, Reve's nieuwe roman, verschenen zonder enig publicitair tumult (afgezien van een voorpublicatie als nieuwjaarsgeschenk van zijn uitgeverij), hoort wat mij betreft thuis in de grijze zone tussen bovenge-noemde uitersten. Misschien heeft Reve er soms gewoon geen zin in, en doet hij maar wat; er moet tenslotte brood op de plank komen. Of hij maakt een begin en verliest dan, na een bladzijde of tweehonderd, zijn belangstelling. Dat laatste lijkt, althans op het eerste gezicht, het geval te zijn met deze roman.

Het hijgend hert eindigt namelijk verrassend abrupt. Juist op het moment dat er enig schot begint te komen in het weinig opzienbarende leven van de schichtige landmeter en vrijetijdsschilder Raphaël ('Zeg maar Ralfje') Wessel, houdt het boek op. Wessel hoort een merel wonderschoon zingen en wan-neer het 'dierke' stil valt, zwijgen ook de 'menigvuldige stemmen die in Wessel opstegen'.

Toch bevat het voorafgaande verhaal tal van elementen die om een vervolg vragen. Het speelt zich volgens de toegevoegde verantwoording 'vele jaren geleden' af, toen homoseksualiteit nog niet 'deftig' was en evenmin een 'aanbeveling bij een staatkundige of journalistieke sollicitatie'. Om aan de indiscrete blikken van zijn buren te ontkomen, heeft Wessel zijn zinnen gezet op een landje ('De Kazemat'), gelegen buiten de bebouwde kom, waar hij zonder angst voor ontdekking jonge vrienden zal kunnen ontvangen.

Een van die vrienden dient zich al vroeg in het verhaal aan. Van deze 'Rikje', die op het gemeentehuis waar Wessel werkt de thee rondbrengt, hoort Wessel dat het bewuste landje te koop zou zijn. Een andere potentiële vriend, de doofstomme en over zijn hele lichaam geschramde 'Jonkie' die slechts gekleed in een onderbroek door Wessel wordt bespied, blijkt met zijn moeder een huis op het landje te bewonen. Verder is er de oudere meneer Hoorn ('een mooi karakter, maar daar heb je in bed niks aan') die Wessel discreet en begripvol assisteert bij de aankoop. En er duiken twee rechercheurs in burger op, die graag de oude, dichtgemetselde kazemat op het landje zouden huren, om daar jonge delinquenten ongestoord te kunnen verhoren.

'Geeft u de verdachten weleens klapjes?', vraagt Wessel hen, niet geheel belangeloos, want al eerder is duidelijk geworden dat deze Wessel is behept met alle bekende neigingen van zijn geestelijke vader. 'Straffen, hoe kwam hij daar nu weder op', hebben we dan al gelezen. En jawel, vanaf dat moment valt de naald in de oude groef, en klinkt ook in Het hijgend hert de vertrouwde revistische melodie, vol mijmeringen over jongens die getuchtigd dienen te worden, bij voorkeur op het lichaamsdeel 'waar de rug van naam verandert'.

Andere bekende Reve-attributen ontbreken evenmin: het verlangen naar 'een grote liefde die alle tranen zoude afwissen' (maar een 'tragische liefde' is ook goed), de ironisch gebrachte clichés van het kaliber 'komt tijd, komt raad', de herinnering aan een vroegtijdig gestorven mooie jongen, het gefoeter op de armoede ('arme mensen waren slecht, anders waren ze niet arm'), enzovoort.

Intussen ontvouwt zich de geschiedenis van Wessel en Rikje ('een perverse landmeter en een half debiel theezettertje') in een sfeer van ingetogen treurigheid en melancholie. De liefde of begeerte blijkt echter wederzijds, en niets hoeft een spectaculaire revistische scène op het landje meer in de weg te staan, met dit duo en de doofstomme Jonkie in de hoofdrol, en wie weet ook met de rechercheurs en hun jeugdige verdachten.

Het zal er niet van komen, de merel heft zijn lied aan en uit is het boek. 'Pro Deo', zingt het vogeltje, hetgeen Reve ten behoeve van de niet-latinisten onder zijn lezers uitlegt: 'zonder betaling dus, om eenzame mensen te troosten', al is evident dat het ook letterlijk kan worden genomen, overeenkomstig de aan psalm 42 ontleende titel Het hijgend hert.

Ogenschijnlijk heeft deze titel niets met het boek te maken - er komt geen hert in voor. Maar op een symbolisch niveau heeft dit hert wèl betekenis voor de roman. Het eerste couplet van psalm 42 drukt immers het verlangen uit van de ziel naar God, en dáárin mondt de roman uit: de werkelijke troost voor 'eenzame mensen' zit in het godsgeloof, dat voortaan ook aan Wessels schilderkunst haar hogere zin moet geven. Achteraf blijkt alles de zwaarmoedige Wessel (wiens moeder al op zolder een kapelletje had ingericht) in deze richting te hebben geduwd, en wie dat wil zou in de geschramde Jonkie en diens kaartenlezende moeder een symbolische versie van de lijdende Christus en de Heilige Maagd kunnen zien?

In het verleden was het voor Reve geen enkel bezwaar om met de Here, in welke gedaante dan ook, gemeenschap te hebben. Maar de ouderdom gaat kennelijk met eerbied en terughoudendheid gepaard: de drempel tussen fantasie en werkelijkheid wordt in dit verhaal (waarvan de meeste personages volgens de verantwoording 'historisch' heten te zijn) niet overschreden. Het inzicht in Gods Voorzienigheid, dat alle eerdere voorvallen het karakter van welhaast bovennatuurlijke tekenen verleent, is blijkbaar voldoende.

Het is dit onverwachte einde, dat alsnog een intrigerende kwaliteit verleent aan de roman die verder een niet al te geïnspireerde indruk maakt. Op één schitterende uitzondering na, zoals ook Reve en zijn uitgever moeten hebben beseft, want de desbetreffende passage wordt vast niet voor niets op het achterplat geciteerd.

Naar aanleiding van Wessels onuitputtelijke 'geilheid', opgewekt door 'vervallen huizen, treinen, verre schepen, spoorbomen, vrome huisdieren, kruisbeelden, ontstoken straatlantaarns, wolken, de Maan, aandachtige muziek, matrozen, luchtbedden en luchtballonnen, het horen van het volkslied, en de begrafenis van een gelief-de vorst of vorstin', wordt daar gewag gemaakt van wat deze zaken zo stimulerend doet zijn: het blijkt hun 'geordende droefheid' te zijn, die Wessel ten enen male mist in 'vrijzinnig ballet', 'gevoelsmatige dans-kunst', 'naakt op het toneel' en 'betogingen op straat voor een betere en rechtvaardiger maatschappij'.

'Geordende droefheid' - die uitdrukking verdient het onverwijld te worden toegevoegd aan het hoogstpersoonlijke repertoire, waarmee Reve in de loop der tijd de Nederlandse taal heeft verrijkt. Eén gevleugeld woord slechts in een hele roman, dat is, zoals Reve het ongetwijfeld zelf had kunnen zeggen, niet veel, maar het is altijd beter dan niets.