Rimpelingen in Duckstad

Hans Ibelings: Supermodernisme. Architectuur in het tijdperk van globalisering. NAi Uitgevers, 144 blz. ƒ 29,50. Ada Louise Huxtable: The Unreal America. Architecture and Illusion. The New Press (1997), 188 blz. ƒ 73,80.

Er openbaart zich een nieuwe stroming in de hedendaagse architectuur: het 'supermodernisme'. Deze vondst lanceert de kunsthistoricus Hans Ibelings, medewerker van het Nederlands Architectuurinstituut, in het zesde deel van de door het instituut uitgegeven reeks 'Fascinaties'. Het supermodernisme, betoogt Ibelings, is de reactie van de architectuur op de globalisering.

De dominante stroming van deze eeuw is het modernisme geweest, de vooroorlogse omwenteling die voorschreef dat alles opnieuw moest. Het duurde een halve eeuw voordat de reactie kwam, met het postmodernisme dat zijn bestaansrecht juist ontleende aan het verleden en daar vrijelijk uit wenste te citeren. Daarna kwam het onthechte 'deconstructivisme', volgens Ibelings 'een meestal nogal letterlijke architectonische vertaling van gedachtenconstructies.'

Als gevolg van de internationalisering die in de jaren tachtig op gang kwam, sluiten we de eeuw nu af met de globalisering. Noties als plaats, context en identiteit verliezen (opnieuw) hun betekenis, het belang van de symboliek en de filosofie taant, er ontstaat een architectuur die zich juist aan geen enkele plek of identiteit lieert. Een architectuur die overal en nergens thuis hoort: het supermodernisme. Met dank aan de Franse filosoof Marc Augé die als eerste over de surmodernité schreef.

Welke gebouwen moeten we ons daarbij voorstellen? Neutrale, autonome dozen, vaak met een gladde, ongenaakbare buitenkant die niets verraadt van wat er binnen gebeurt. Voor het omslag van Ibelings' geschrift is een veelzeggende foto gekozen: een serie blinde witte dozen met trappen, ontworpen door de Franse architect Dominique Perrault voor het 'Centre technique du livre' in Marne-la-Vallée. Perraults 'Bibliotheque Nationale' past ook in het rijtje, samen met bijvoorbeeld het seinhuis van de Zwitsers Herzog & De Meuron in Basel, Jean Nouvels 'Institut du Monde Arabe' in Parijs en Wiel Arets' matglazen politiebureau in het Nederlandse Boxtel.

'In essentie', schrijft Ibelings, 'is de nieuwe abstractie een uiting van een fundamenteel andere houding ten opzichte van het architectuur. Die wordt steeds minder gezien als betekenisvol en gevuld met symbolische inhoud en meer en meer als neutraal object.' Neutraal wil niet zeggen 'doods': deze gebouwen zijn misschien niet communicatief, maar ze hebben wel een sterke sculpturale présence. Behalve hun uiterlijke kenmerken hebben ze met elkaar gemeen dat ze op 'non- plaatsen' staan: stadsranden, bedrijventerreinen en spoorweg- emplacementen. Vooral vliegvelden zijn de natuurlijk biotoop, zo niet de bakermaat van supermoderne gebouwen.

Ibelings wil, schrijft hij in zijn inleiding, niet oordelen, maar signaleren - hij wil zo neutraal zijn als de gebouwen die hij omschrijft. Maar hij zou dit essay niet hebben geschreven als hij er niet - terecht - van overtuigd was dat hij iets belangrijks bij de kop heeft. Als hij constateert dat er 'nu een architectuur in opkomst is waarvoor de visuele, ruimtelijke en tactiele sensatie van grotere waarde is geworden', dan klinkt het niet alsof hij dat betreurt. En hij vindt het hoog tijd dat er een architectuur ontstaat die zich verstaat met de alledaagse, zelfs lelijke, anonieme omgeving. 'Dat is in het tijdperk van globalisering waarin de banaliteit zich op overweldigende schaal manifesteert, noodzakelijker dan ooit.'

Daar heeft hij gelijk in, al zijn de gevolgen van de globalisering nog niet te overzien. Ibelings constateert dat we misschien een 'glocalisering' tegemoet gaan, waarbij van de weeromstuit juist het lokale en het specifieke aan betekenis winnen. Ik had graag willen weten wat dáárvan de uitwerking op het supermodernisme zou zijn. Dat neemt niet weg dat hij met dit goed geschreven, bedachtzame en inzichtelijke essay aannemelijk heeft gemaakt dat er meer aan de hand is dan het zoveelste stijltje.

De confrontatie met het banale: daarover gaat ook The Unreal America van Ada Louise Huxtable, de eerste architectuurcritica van The New York Times en nu werkzaam voor de The Wall Street Journal. Maar waar Supermodernisme een onderzoek is, is The Unreal America een vlammend j'accuse. Huxtable haalt fel uit naar het escapisme cultuur en dus ook in de architectuur, die zijn toevlucht neemt tot sprookjes en illusie. Het is allemaal themapretparken, winkelcentra en commercie wat de klok slaat, aldus Huxtable. 'In dorpen door het hele land sterft 'Main Street' af, terwijl iedereen naar Main Street in Disney World gaat. Het is de meest briljante marketingtruc die ooit is bedacht.'

Huxtable was in de jaren zeventig een voorvechter van preservation, de Amerikaanse variant van monumentenzorg. Maar ook die heeft een wending genomen die haar helemaal niet zint. De geschiedenis wordt teruggebracht tot de schattige, gesteriliseerde versie die exploitanten van pretparken acceptabel vinden voor het grote publiek. Ook in 'historische' oorden als Williamsburg, een dorp uit Amerika's koloniale tijd waar alles zogenaamd 'net als toen' is, of New Yorks Ellis Island waar de geschiedenis van miljoenen immigranten wordt opgehaald, heeft het surrogaat het gewonnen van de realiteit.

Wat Huxtable verontrust, is niet zozeer dat er kunstmatige omgevingen worden geschapen, maar dat die zo klakkeloos als 'echt' worden gepresenteerd en aanvaard. Maar ze ontloopt de consequenties van haar eigen betoog. Want wie klaagt ze eigenlijk aan, de makers of de consumenten? Het ene brengt het andere tenslotte voort. Inderdaad, voor de mainstream is namaak net zo echt als echt. Maar zullen de bezoekers die in de vijver voor een hotel in Las Vegas toekijken hoe piraten een schip enteren, werkelijk denken dat het echt is? Zullen ze geloven dat de zon zes keer per dag op en onder gaat, omdat dat zo gaat in het winkelcentrum onder Caesar's Palace?

Juist in het kinderlijke, enterainment-minnende Amerika is de verhouding tussen illusie en werkelijkheid complexer dan Huxtable doet voorkomen. Zo schroomt ze niet om een scherp onderscheid te maken tussen architectuur als merchandising en architectuur als Kunst - en de kloof daartussen wordt steeds groter. Maar Huxtable valt in haar eigen zwaard als ze het werk van onder anderen Arata Isozaki en Frank Gehry wel tot kunst verklaart, maar niet in het reine komt met het feit dat zij óók voor Disney werken.