Regio's op eigen kracht

Het tweede paarse kabinet berust vooral op overeenkomsten over voortgaande terugdringing van het financieringstekort, extra uitgaven voor de gezondheidszorg, invoering van het belastingstelsel van de 21ste eeuw en enkele aanpassingen van het democratisch bestel met als trekker de gekozen burgemeester. Maar hoe zit het met de ruimtelijke indeling van ons land, de bestuurlijke vernieuwing en de rolverdeling van de daarbij betrokken overheidslagen? Gaat het kabinet bij het opstellen en uitvoeren van het rijksbeleid nu nuttig gebruikmaken van de provincies omdat alle andere ideeën het niet hebben gehaald? Of blijft het bij houtskoolschetsen?

De herontdekking van de provincies is in hoofdzaak van henzelf gekomen. Vooral de discussies over regionale openbare lichamen en provincies nieuwe stijl hebben de oude provincies aangezet tot een zelfanalyse. Dat was ook wel nodig. Veel mensen zien de provincies als zwarte gaten; we weten dat ze er zijn maar het is onduidelijk waarvoor ze precies kunnen dienen. De conclusie van het zelfonderzoek was dat zij, de een wat meer dan de ander, toekomst hebben als partner van de rijksoverheid in een regisserende rol.

Nog weinig daarvan valt te herkennen in de rijksnota 'Regio's zonder grenzen' van 1990. Een hoofdstelling van die nota was dat het economisch zwaartepunt van Nederland naar het oosten en zuidoosten opschuift. Die uitspraak had voorspellende waarde want economisch gezien deden Twente, Midden-Gelderland, Flevoland, Brabant en Limburg het sindsdien goed. De gunstige ligging van deze landsdelen bij een centrum als het Roergebied maakt deze regio's extra aantrekkelijk. In de nota komt ook naar voren dat vanuit de regionaal-economische invalshoek het partnerschap met provincies en gemeenten verder moest worden ontwikkeld. En dan op integrale wijze, met inbegrip van ruimtelijke ordening, mobiliteit, milieu en economie. Maar hoe dat zou moeten werd niet verder uitgewerkt.

Dat geldt ook voor de vervolgnota 'Ruimte voor regio's' van 1995. Ofschoon daarin wel wordt gesproken van samenwerking met de provincies om te komen tot een beter gebruik van de schaarse ruimte door planning van toekomstige bedrijfslocaties, revitalisering van verouderde bedrijventerreinen en het transparant maken van vraag en aanbod, krijgt de provincie voor deze doelen nauwelijks een plaats aan tafel.

Intussen is de discussie doorgegaan en wint de corridorgedachte meer en meer terrein, ook bij planologen. De geografische positie van Nederland en vooral haar achterlandverbindingen worden steeds meer op waarde geschat. Dus niet alleen de verbindingen tussen de mainports Schiphol en Rotterdam en de aangrenzende regio's, maar ook de internationale verbindingen die een wisselwerking tussen Randstad en overig Nederland ondersteunen. Of men in dit verband van vervoersassen dan wel ontwikkelingsassen moet spreken is een academische vraag. Maar het geeft wel een bredere blik op de bijdrage die provincies kunnen leveren aan de groei van de nationale economie en de werkgelegenheid. Door hen als regisseur in te schakelen bij het ruimte- en mobiliteitsbeleid kan een versnelling worden gegeven aan die groei.

Ook de onlangs uitgebrachte nota 'Ruimte voor economische dynamiek' gaat voorbij aan de toegevoegde waarde van provincies als regisseur. De nota geeft een verkennende analyse van de ruimtelijk-economische tendenties tot 2020 en dat in het licht van internationalisering, ruimtelijk gedrag van ondernemingen en hun vestigingsplaatseisen. Het betoog loopt uit op twee vragen. Waar moet de ruimte voor economische activiteiten worden gevonden en hoe kan het beleid ervoor zorgen dat deze ruimte beschikbaar komt op de juiste plaats, op tijd en van passende kwaliteit? Kortom, een roep om tot een dynamische planologie te komen en tegelijk een voorzet van EZ voor de komende vijfde nota voor de ruimtelijke ordening.

Echter opnieuw komt de provincie onvoldoende in beeld. Hoe dat wel zou kunnen is aardig geïllustreerd door de provincie Overijssel. Van onderop wordt in beleidsmatig opzicht ruimte geclaimd en ingevuld. Daarbij is een visie gegeven op de planning, het gebruik en de revitalisering van bedrijventerreinen. Met een soort 'roadmap' is ook aangegeven hoe op een duurzame wijze met de terreinen moet worden omgesprongen. Een extra stimulans hiervoor werd gevonden in de rijksnota 'Milieu en economie'. Daarnaast heeft de provincie de Rijks Planologische Dienst gevraagd zich eens te buigen over efficiënt gebruik van ruimte op bedrijventerreinen.

Ongeveer gelijktijdig is een 'innovatiestrategie Overijssel' ontwikkeld, die technologische vernieuwing in het bedrijfsleven beoogt door het uitwisselen van kennis en kunde tussen onderwijsinstellingen en ondernemingen. De provincie heeft zich hier als een bekwaam regisseur laten zien. In het programma 'Investeren in Overijssel, schakel tussen west en oost' is het provinciale zelfbewustzijn verder geëtaleerd. Het geheel bevat vier investeringsschakels: vitale steden, structuur in netwerken, tuin van Nederland en 'kennis in de 21e eeuw'. Ieder van deze thema's bevat (clusters van) projecten. Alles bij elkaar een pakket van 5,5 miljard gulden, dat op 24 juni door bestuurders van provincie en grote gemeenten alsmede door vertegenwoordigers van bedrijfsleven en onderwijsinstellingen aan 'Den Haag' is aangeboden. Alle betrokkenen hebben actief meegewerkt aan de totstandkoming van het programma. Een mooi voorbeeld hoe de provincie de regierol kan invullen.

De oorspronkelijke vraag was hoe de specifieke kennis en kunde van de provincies kan worden ingeschakeld als tussenlaag tussen rijk en gemeenten nu de stadsprovincies en dergelijke op de schroothoop liggen. In de besproken nota's van de rijksoverheid komt die vraag nauwelijks aan bod. Maar in de netwerkeconomie van heden is een aantal provincies gelukkig zelf aan de slag gegaan en zij worden in hun regierol redelijk geaccepteerd door gemeenten, bedrijfsleven en onderwijs.

Intussen is in Brussel, veel meer dan door de Nederlandse overheid, de provincie van de toekomst wel aanvaard. Een aantal communautaire programma's geeft er blijk van dat men daar de tussenlaag van de provincie een gepaste maat acht voor veel stimulerend overheidswerk. Het Europa van de regio's is helaas nog niet erg herkenbaar in de stukken van 'Paars II' maar gelukkig is de praktijk soms sterker dan de leer. Regionale convenanten, zoals onlangs afgesloten met de drie noordelijke provincies, vormen de sleutel om theorie en praktijk dichter bij elkaar te brengen. Een hoger werkgelegenheidsrendement ligt daarmee in het verschiet.