Oratio pro forno

Schrijven over koken en eten verkeert in de onderste regionen, ergens tussen sport- en modejournalistiek. Zo heeft Rudy Kousbroek eens beweerd. Hij liet in het midden of sport dan wel mode hekkensluiter was, in elk geval stond gastronomie op de een na laatste plaats. Ik zal hem niet tegenspreken.

Tekenend is dat er in Nederland geen enkel onafhankelijk, goed geschreven gastronomisch tijdschrift bestaat. Vaak is de grens tussen de bijdragen van redactie en adverteerders vervaagd. 'Ligt u goed bij de restauranthouders', vroeg ooit een hoofdredacteur van zo'n blad mij in een verkennend gesprek over medewerking. Tienduizend exemplaren van zijn magazine werden door restauranthouders onder de gasten verspreid en dat moest natuurlijk wel zo blijven. Enkel juichverhalen over hoe enig en hoe lekker en hoe bijzonder het aan de restauranttafels en op de winkelschappen is, zijn daarom ons deel. De 'oratio pro forno' is het meest voorkomende genre in de gastronomische journalistiek. Mocht er in de restaurantkeukens sprake zijn van het gebruik van EPO, dan zullen we daar in de gespecialiseerde culinaire tijdschriften niet veel over lezen. Een klassering in de buurt van de sportjournalistiek is op zijn plaats.

Desondanks zou ik willen pleiten voor een ongemakkentoeslag. Het is het lot van de culinaire journalist dat hij door jan en alleman wordt gezien als een wandelende gastronomische Gouden Gids. Weet u nog een leuk restaurant aan de Linge waar we met een gezelschap van twintig man gezellig buiten kunnen eten voor een bedrag van maximaal vijftig gulden per persoon, drankjes inbegrepen? Is er niet een romantisch hotelletje in de buurt van Alkmaar dat ook goed met het openbaar vervoer is te bereiken? Volgende week staat er gebakken griet met sinaasappelsaus en rode-uien marmelade op ons menu, wat is daar nu een passende, lekkere wijn bij?

Leuke restaurants, aangename hotels, geheime adresjes - alles wordt de culinair journalist geacht uit de mouw te kunnen schudden. Zelfs als hij er nooit een letter aan heeft gewijd. 'Dus u weet helemaal niets van waarover u schrijft!' zei ooit een mevrouw aan de andere kant van de lijn verontwaardigd. Ze had me gebeld om een adres voor rookworst. Haar stemgeluid wees op een afkomst uit de hogere kringen. Mevrouw had eerder een aardappel in de keel dan stamppot. Ze was dan ook niet op zoek naar een huis-, tuin- en keukenworst. Een worst met de artificiële rooksmaak van tegenwoordig was uit den boze. Hij diende echt gerookt zijn zoals dat vroeger met de worst van Dikker & Thijs het geval was. Ik moest haar het antwoord schuldig blijven. Mijn verweer dat ik weliswaar over hutspot had geschreven maar het fenomeen rookworst buiten de beschouwing had gehouden, maakte weinig indruk.

Eerder die week kreeg ik een brief van een mevrouw die me hartelijk dank zegde voor mijn 'geestige en animerende' stukje dat haar op het spoor van hotel Zeebries zette. Na een zeer geslaagd weekendverblijf had ze het hotel afgehuurd voor de viering van het veertigjarig huwelijksfeest van haar ouders. Hartverwarmend zulke bijval, ik heb alleen nooit over het mij volstrekt onbekende hotel Zeebries geschreven. Zo wordt een ongegrond verwijt verzacht door een niet verdiend compliment.

Sommig onheil roep je over jezelf af. Wie een stukje schrijft over spelfouten op menukaarten, moet daarin niet zelf fout op fout stapelen. Wie in een recept voorschrijft de komkommer middendoor te snijden en daarbij het woordje 'overlangs' vergeet, vraagt om reacties van teleurgestelde hobbykoks. Wie het woord fornuis in het Latijn verkeerd vervoegt, oogst ingezonden brieven. En de leiding van de VPRO heeft een ironische toonzetting terecht verboden. Ironie roept bij de lezer slechts misverstanden op. Dik aangezette lof over een op een Monatoetje gelijkend dessert, blijkt door sommige lezers als serieus te worden opgevat.

Over dit soort ongemakken is nog heen te komen. Het ergste is het sociaal isolement waarin de culinair journalist komt te verkeren, omdat vrijwel niemand je nog durft uit te nodigen voor een etentje thuis.