Oostenrijkse inkomensverdeling; Verschil van stand moet er zijn

Oostenrijk is goed voor zijn beambten. Heel goed zelfs als zij een hoge positie innemen. Maar arbeiders verdienen er weinig, en genieten nauwelijks rechtsbescherming. De standsverschillen worden door conservatieve bonden in stand gehouden en vormen de voedingsbodem voor rechts-radicalisme. Er worden pogingen tot hervorming ondernomen.

'Alleen Hitler heeft met nog meer succes tentoonstellingen georganiseerd', grapte Annelie Hochkofler soms om haar succes aanschouwelijk te maken. Hochkofler is ambtenaar van de deelstaat Stiermarken en zij promootte haar Heimat in de Verenigde Staten met een roadshow.

Algemene bekendheid verwierf de culturele ambassadrice toen de Rekenkamer haar inkomsten bekritiseerde. Hochkofler had een salaris van 140.000 gulden èn een vast bedrag voor onkosten van 180.000 gulden. De royale vergoeding weerhield haar er niet van al haar persoonlijke uitgaven ook nog eens te declareren. Massages, eten met vrienden, zelfs haar dagelijkse boodschappen en medicijnen wilde ze vergoed krijgen. De Rekenkamer vond dat onacceptabel en Hochkofler werd razend. Zij had Stiermarken internationaal bekend gemaakt en daarom recht op de gedeclareerde bedragen.

De zaak-Hochkofler is bepaald geen uitzondering. De Oostenrijkse staat is een paradijs voor topverdieners: de president van de Centrale Bank verdient drie keer zo veel als zijn Amerikaanse collega, een Oostenrijks Kamerlid verdient net zo veel als een Nederlandse minister, de 28 directeuren van de sociale verzekeraars genieten vorstelijk inkomens in vergelijking met hun Duitse collega's.

Daarnaast beschikken de heren en de enkele dame over auto's met chauffeur èn forse onkostenvergoedingen. Vrijwillige matiging is in het verleden altijd verontwaardigd afgewezen want de betrokkenen zijn er, net als Annelie Hochkofler, rotsvast van overtuigd het geld dubbel en dwars waard te zijn.

Hoge inkomens en buitensporige privileges voor een kleine groep gaan in Oostenrijk samen met erg lage lonen en een minimum aan sociale voorzieningen voor velen. Een minimumloon bestaat niet, er zijn alleen zeer uiteenlopende CAO's. Een strakke hiërarchie houdt dit systeem in stand. Zo zijn er grote verschillen tussen witte en blauwe boorden. Arbeiders betalen 1,1 procent meer ziektekostenpremies, hebben minder vakantiedagen, moeten verlof opnemen als ze hun dokter bezoeken en elke ziektedag moet door een arts worden goedgekeurd. Zelfs na tien jaar vaste dienst kan een arbeider binnen éèn week op straat worden gezet, daarom wordt hij ook nog steeds wekelijks betaald. Witteboorden-employés hebben een opzegtermijn van zes weken tot drie maanden.

Bijzonder wrang is dat de revalidatiecentra voor employés vaak leeg staan - achter een bureau raak je immers niet zo snel gewond als in een fabriek - maar arbeiders er niet in mogen. Ze hebben eigen centra met minder service, minder goed eten en lange wachtlijsten.

Waarom zijn arbeiders in Oostenrijk zo duidelijk achtergesteld? “Arbeiders doen zwaar werk, ze hebben geen tijd en energie om daarnaast goed vakbondswerk te doen”, verklaart Hans Sallmutter, chef van de Gewerkschaft der Privat-Angestellten (GPA) de achterstand. Maar arbeiders hoeven dat werk toch niet zelf te doen, ze kunnen toch deskundigen inhuren? “Daar hebben ze geen geld voor”, aldus Sallmutter. En waarom bundelen de vakbonden hun krachten dan niet in éèn centrale bond?

Sallmutter moet smakelijk lachen om deze vraag. “U moet nog veel leren over vakbonden”, legt hij vaderlijk uit. “Wij hebben niet alleen diverse vakbonden zoals voor metaal, textiel etc. Deze bonden worden ook nog eens federaal bestuurd, dat betekent dat elke bond negen Landesvorsitzende heeft, voor elke deelstaat een. En dan heb je nog vice-voorzitters. Al deze mensen hebben zich omhooggewerkt, genieten nu een extra-inkomen met hun vakbondswerk èn ze hebben macht, bijvoorbeeld bij de benoeming van personeel. Niemand laat zich zoiets afpakken!”

Dat de vakbonds-apparatsjiks in eerste instantie het eigen belang dienen betekent niet dat alle arbeiders er slecht aan toe zijn. Vele bedrijven hebben de grootste verschillen tussen hun werknemers op eigen initiatief gecorrigeerd. “Ik heb niets te klagen, ik heb in beide bedrijven waar ik werk een goede chef”, zegt Anna Pfeifer die van zes tot tien uur 's morgens bij de Postdienst schoonmaakt en daarna van drie uur 's middags tot acht uur 's avonds bij een stomerij werkt. De stomerij is berucht om haar slechte betaling en het gevolg is dat bijna 80 procent van de werknemers van Turkse afkomst is. De verschillen tussen een staatsbedrijf en een particuliere onderneming ervaart Pfeifer aan den lijve.

Ze verdient voor vier uur schoonmaken bij de post 1.100 gulden, en voor vijf uur gespecialiseerd werk in de sterilisatieafdeling van de stomerij 1.000 gulden. Ze heeft meer vakantiedagen en een 13de en 14de maand salaris bij de post, de stomerij heeft jarenlang alleen maar tweederde van het in Oostenrijk gebruikelijke kerst- en vakantiegeld betaald. Maar beide chefs doen over doktersbezoek of ziekteverlof niet moeilijk. Aan de andere kant past deze versoepeling van de regels perfect in het oude systeem: het zijn door de bedrijfsleiding gegunde privileges, geen rechten.

Het eigen beleid van bedrijven om de verschillen tussen arbeiders en employées op te heffen, leidt tot een verdere verzwakking van de arbeidersbonden. Zij raken hun leden kwijt. De bonden probeerden het onderlinge evenwicht in stand te houden door afspraken te maken. Zo zou de industriebond tot employés verheven arbeiders als leden aanhouden. De aan de status van arbeider ontsnapte werknemers dachten daar anders over en meldden zich massaal aan bij de GPA, want niemand wil graag proletariër zijn.

Zeker 70.000 werknemers wisselen per jaar van status, vaak zonder dat hun werk verandert. Het is inmiddels ook volstrekt onduidelijk wat nog een functie op arbeidersniveau is en dat heeft een zekere willekeur tot gevolg. Bijvoorbeeld: in een disco is de barkeeper een arbeider, de deejay een employé.

Sallmutter onderscheidt zich niet van andere vakbondsbazen. Ook hij wil zijn macht niet kwijt en is daarom fel gekant tegen de invoering van het algemene begrip “werknemer”. De GPA-chef heeft dit voorjaar een rel veroorzaakt toen hij zijn eigen secretaris met behoud van salaris vervroegd met pensioen wilde sturen. De man was persoonlijk bevriend met Rudolf Nürnberger, chef van de metaalbond, en beide mannen pleiten voor opheffing van de standsverschillen tussen arbeiders en employés.

Operatie Fairness wordt dit streven genoemd. Als de pogingen slagen verliest de GPA de status van grootste bond en kan dan het beleid voor de 13 andere bonden niet meer dicteren. Sallmutter ontkent dat zijn verzet tegen het opheffen van de standsverschillen door eigenbelang wordt bepaald en verwijst naar “de traditie en de instelling van de leden” die een dergelijke “devaluatie” niet zouden accepteren.

Dat Sallmutter in de strijd met de metaalbond moest inbinden, werd door de media als een teken aan de wand gezien. De positie van de GPA-chef is niet meer onomstreden. Hij wordt door het vooruitstrevende deel van zijn eigen bond en ook door leidende sociaal-democraten openlijk als een historisch relict beschreven dat elke verdere ontwikkeling blokkeert. Dat de 52-jarige Sallmutter in het verleden leeft, toont ook het door hem in april gepubliceerde boek 'Niets is zo maakbaar als de toekomst'. Ondanks deze hoopvolle titel gaat het boek vooral over het roemrijke verleden van de bond en voorstellen om de huidige problemen op te lossen doet de auteur niet.

De grote kloof tussen arm en rijk, de rigide hiërarchie en de anachronistisch aandoende standsverschillen hebben een politiek bedenkelijke kant: ze bevorderen frustraties en angsten voor het verlies van status en sociale zekerheid. Binnen de Europese Unie is met verbazing op de Oostenrijkse angsten voor de uitbreiding gereageerd, ook omdat Oostenrijk tot nu toe vooral geprofiteerd heeft van de opening.

Maar op micro-economisch niveau - en daar komt de angst vandaan - ziet de zaak er anders uit. De angst voor goedkope werknemers uit de buurlanden Slovenië, Hongarije en Tsjechië is terecht.

Sociale wetenschappers als Emmerich Talos hebben aangetoond dat op de laagste treden van de maatschappelijke ladder een genadeloze verdringingsstrijd plaatsvindt. Deze ontwikkeling is al in het midden van de jaren tachtig op gang gekomen. Toen werden bijvoorbeeld in Wenen veel Joegoslavische conciërges door Poolse verdrongen. De Poolse vrouwen namen met de helft van het loon genoegen. Het ontbreken van een minimumloon en de verdeeldheid van de vakbonden laten veel ruimte voor loononderhandelingen.

Onder zulke omstandigheden groeien ook wantrouwen en afgunst. Met de extreem-rechtse Jörg Haider beschikt Oostenrijk bovendien over een politicus die al deze angsten en frustraties meesterlijk weet te manipuleren.

Hij scoort sinds jaren door de salarissen en 'vergoedingen' van politici, ambtenaren en werknemers in staatsbedrijven bekend te maken. Maar veranderingen worden aan alle kanten tegengewerkt, niemand wil zich iets laten afpakken.

Op de laatste dag voor het parlementaire zomerreces heeft de regering laten weten dat “het afgelopen moet zijn met de gigantische salarissen en de vele privileges voor managers van bedrijven waarin de staat nog aandelen heeft”. Het regeringsplan bevat draconische maatregelen: vaststelling van een bovengrens voor topsalarissen, contracten op vijfjaarsbasis; jaarsalarissen waarbij overuren zijn inbegrepen en extra pensioenregelingen zijn niet meer toegestaan.

“Wij hebben geprobeerd de verantwoordelijken tot rede te brengen maar dat heeft niet gewerkt. De nodige maatregelen moeten kennelijk afgedwongen worden”, aldus een regeringswoordvoerder. Maar de regering heeft wel vaker hervormingen aangekondigd en ze later onder druk van de eigen clientèle moeten intrekken of ze zo te laten verwateren dat van een hervorming geen sprake meer kon zijn.