Onderaan de pagina

Anthony Grafton: The Footnote. A curious history. Faber, 241 blz. ƒ 55,40 (geb.)

Wanneer van een bekende hoogleraar van Princeton met verscheidene boeken over de Renaissance op zijn naam een curious history van de voetnoot wordt aangekondigd, mag je verwachten dat het een geleerd en luchtig werk zal worden. Zo ziet het er ook uit, in een innemend klein formaat dat past bij een professor die onder zijn toga speels is gebleven.

Die verwachting komt niet uit. Anthony Grafton wil ons in kleine boeken vooral zoveel mogelijk laten meeprofiteren van zijn belezenheid. Bij vlagen lijkt dit boek over de voetnoot zelf een satire op het gebruik van voetnoten. Op iets meer dan tweehonderd pagina's treft men ruim vierhonderd voetnoten aan, enkele met verwijzingen, maar de meeste met citaten en opgaven van andere titels. Het zou niet de eerste satire zijn. Achttiende-eeuwers schreven ze al, zoals Gottfried Wilhelm Rabener die in 1743 zijn Noten Ohne Text publiceerde.

Grafton vertelt over de voetnoottraditie zonder erom te lachen. Hij citeert een jurist genaamd Riess die eens voor de grap schreef dat de frequentie waarmee voetnoten vooral in juridische studies verschijnen scherp afsteekt tegen de weinige geleerde aandacht die er aan het fenomeen zelf besteed is. Een absurde vergelijking, ook in toepassing op de historische studies die Graftons terrein zijn - maar, zegt hij, eigenlijk is het waar.

Grafton is op zijn best wanneer hij in plaats van ons te verbluffen met zijn veelzijdige kennis de tijd neemt om op een onderwerp in te gaan, zoals in zijn hoofdstuk over Leopold von Ranke, de vader van de negentiende-eeuwse Duitse geschiedschrijving. Die vond niets heerlijker dan het doornemen van teksten in archieven. Tot in deze eeuw is het geloof wijdverbreid gebleven dat het schrijven van zorgvuldig gedocumenteerde geschiedenis bij Ranke begonnen is, nadat zijn voorgangers alleen min of meer aannemelijke sterke verhalen hadden verteld. Van dat geloof is weinig over, en zal haast niets resteren nu Grafton heeft laten zien hoeveel er al eeuwen eerder aan archiefwerk werd gedaan, en hoeveel er toch ook af te dingen is op de betrouwbaarheid van niet uitgegeven documenten. In de afgelopen vijfhonderd jaar waren het eerst vooral de kerkhistorici die elkaar tegenspraken met een beroep op de bronnen. In de achttiende eeuw was het voor wereldlijke historici niet verplicht maar ook niet ongebruikelijk om duidelijk te maken waar zij hun gegevens vandaan hadden, en zich open te stellen voor kritiek.

Graftons tekst verloopt niet altijd logisch. Eerst vertelt hij bijvoorbeeld over Ranke dat die het aanzien van archiefwerk heeft verhoogd en de voetnoot onontkoombaar heeft gemaakt; daarna geeft hij een indruk van wat er eerder werd gedaan aan droog onderzoek en aan verantwoording in voetnoten en naschriften.

Niet iedereen zal dit allemaal weten en haast niemand zal alle voorbeelden kennen die Grafton aanvoert. Hij heeft een leerzaam werk geschreven, met een ongewone dichtheid van informatie op die kleine pagina's. Het respect dat hem daarvoor toekomt zou een stuk hartelijker zijn als hij driekwart van zijn voetnoten had weggelaten, of anders het materiaal ervoor naar het eind van zijn boek had verwezen, naar een apart hoofdstuk over bronnen. Het is altijd een geldig bezwaar tegen voetnoten geweest dat zij de lectuur van een werk verstoren, en zij hebben dat zelden zo grondig gedaan als hier.

Als voorbeeld kan dienen de behandeling van de zeventiende-eeuwse Duitse jezuïet Athanasius Kircher. Hij 'wrote more books than his modern counterpart can hope to read'. Het eerste complete overzicht van zijn ideeën staat in het boek van T. Leinkauf van 1993, zegt Grafton; daarnaast, 'see also' de werken over hem van D. Pastine (1978), J. Fletcher (1988), P. Findlen (1993) en bovenal R.J.W. Evans (1979). En dit gaat dan over een van de vele tientallen auteurs die hij onder de aandacht brengt. Maar, zou Grafton zeggen, ik bedoel niet dat al mijn lezers de boeken die ik opgeef horen 'to see'. Nee, natuurlijk niet. De vraag is, wat heeft het voor zin om ze zo massaal onderaan de pagina's te zetten?

Eigenlijk is dit een vraag waar iedere schrijver over voetnoten antwoord op zou moeten geven: hoe nodig zijn ze bij verschillende soorten werk voor verschillende soorten lezers, en waar moeten ze dan staan? Grafton gaat hier niet op in, al vermeldt hij dat Voltaire een hekel had aan voetnoten en Hegel ook, en dat ze Noël Coward deden denken aan de situatie dat er wordt aangebeld in the midst of making love.