Monumentale encyclopedie van de filosofie; Voor 7361,55 gulden op de eerste rang

Edward Craig (ed.): The Routledge Encyclopedia of Philosophy. Tien delen, 8.680 pagina's. Verkrijgbaar als boek (ƒ 6.254,55), als CD-Rom (ƒ 6.933,70) en gezamenlijk (ƒ 7.361,55).

Een set van de Routledge Encyclopedia of Philosophy ligt tot 12 september ter inzage bij Athenaeum Boekhandel (Amsterdam), Broese Kemink (Utrecht) en Donner (Rotterdam). Daarna bij Scheltema Holkema Vermeulen in Amsterdam en Kooyker Ginsberg te Leiden (15-26 september), Scholtens Wristers te Groningen (16-30 september) en Verwijs in Den Haag (30 sept-17 oktober).

Dertig jaar geleden verscheen in Engeland The Encyclopedia of Philosophy, geredigeerd door Paul Edwards. Het monumentale naslagwerk werd gevierd als een manifestatie van collectieve geleerdheid. Maar al aan het begin van de jaren negentig werd onder filosofen de behoefte gevoeld aan een nieuwe encyclopedie: 'Edwards' zou alweer gedateerd zijn.

Edward Craig, fellow van Churchill College, Cambridge, nam de taak op zich een nieuw werk te redigeren. De doelstelling van die nieuwe encyclopedie moest zijn een volledig èn gedetailleerd overzicht te bieden van de wijsbegeerte, zoals die wordt beoefend door de huidige Angelsaksische filosofiegemeenschap.

Het resultaat is er nu. Tien lijvige delen, van in totaal bijna negenduizend pagina's. Ook verkrijgbaar op cd-rom; de verpakking van de encyclopedie is dus al een eigentijdsere dan die van Edwards. Maar wat zeggen de 8.680 pagina's over het zelfbeeld van de hedendaagse Angelsaksisiche filosofie?

De oude encyclopedie van Edwards schetste het portret van een generatie filosofen die was gevormd door de jaren dertig en de Tweede Wereldoorlog. In de Verenigde Staten werd de filosofie beheerst door de voormalige leden van de logisch-positivistische Wiener Kreis en hun leerlingen. Zij waren gevlucht na de Anschluss van Oostenrijk met Duitsland, waar de prominente filosoof Martin Heidegger zich een aanhanger toonde van Hitler. Dit maakt begrijpelijk waarom voor de generatie van Edwards de wijsbegeerte geen vrijblijvend denkspel kan zijn; de onbegrijpelijke metafysica van Heidegger was voor hen nauw verwant met de even onbegrijpelijke terreurdaden van de Nazi's.

De trait-d'union tussen de Amerikaanse en de Britse wijsbegeerte in die tijd was Wittgenstein. De leden van de Wiener Kreis hadden stelling 4.024 van diens Tractatus tot hun strijdkreet verheven. 'Een beweerzin begrijpen, betekent, weten wat het geval is, indien hij waar is.' Deze stelling gebruikten zij als wapen tegen Heidegger, die beweringen deed als 'Das Nichts nichtet'. Deze uitspraak is betekenisloos, aldus de Wiener Kreis, want we kunnen haar niet verifiëren of falsifiëren. De filosofie moet zich bezighouden met feitelijk, en dus wetenschappelijk, taalgebruik en niet met zinloze metafysica.

In Engeland daarentegen verkondigde de latere Wittgenstein dat er meer was dan feitelijk taalgebruik en wees hij op de verscheidenheid aan taalhandelingen. Filosofische problemen verdwijnen als we het gebruik van de woorden, waarin die problemen gesteld zijn, nauwkeurig analyseren. In Oxford had John Austin, die luitenant-kolonel bij de spionage-dienst van het Engelse leger was geweest, verwante ideeën ontwikkeld. 'How to do things with words', luidde de titel van de lezingencyclus die hij in 1957 aan de Harvard Universiteit hield. De omgangstaal en niet de wetenschap biedt de oplossing voor tal van wijsgerige problemen, zoals blijkt uit de rijkdom van de Oxford Dictionary. Filosofie is taalanalyse.

In de encyclopedie van Edwards eindigt het lemma over Heidegger met de woorden: 'Heideggers schadelijke retoriek is wijd en zijd geaccepteerd en bewonderd, maar de verbale effecten komen te gemakkelijk om diepzinnig te zijn. Zelfs als hij een onderzoeker is naar schemerige en verafgelegen doelen, is hij op z'n best een niet erg overtuigend onderzoeker.'

Uit dit citaat spreekt zelfvertrouwen. In de jaren zestig geloofde de analytische wijsbegeerte dat ze op de goede weg was. Er waren verschillen - in Groot Brittannië vertrouwde men op conceptuele analyse, in de Verenigde Staten vooral op de natuurwetenschappen - maar er was één gemeenschappelijk discours. Er was een beperkt aantal filosofische tijdschriften, men las elkaars werk nog en men had geloof in eigen kunnen. Om die reden voelde de analytische filosofie ook niet de behoefte om te zoeken naar andere opvattingen. Deze gemoedstoestand wordt weerspiegeld in de encyclopedie van Edwards. Daarin is weinig aandacht voor opvattingen van niet-Engelstalige filosofie en de grote wijsgeren uit het verleden worden ahistorisch, als tijdgenoten, benaderd, hetgeen tot uitspraken leidt als: 'Wat een domme redenering van Kant!'

Verdwijnen

Het eerste dat opvalt bij bestudering van de nieuwe encyclopedie van Craig is dat zowel het zelfvertrouwen als de eenheid van het discours is verdwenen. Dit blijkt al uit het feit dat er veel meer aandacht is voor niet-Angelsaksische wijsbegeerte. Onder invloed van de faculteiten der literatuurwetenschap is er een ware Heidegger-industrie ontstaan. Deze Angelsaksische Heidegger-receptie wijkt nog wel af van de Duitse, doordat men niet alleen met Heidegger probeert mee te denken, maar ook onderzoekt of er verwantschap bestaat tussen Heidegger en, bijvoorbeeld, het Amerikaanse pragmatisme, en of zijn ideeën vruchtbaar zijn voor de cognitie-wetenschap. In zijn kielzog heeft Heidegger een hele stoet continentale filosofen deze encyclopedie ingetrokken, zoals Derrida en Gadamer.

Maar niet alleen de continentale wijsbegeerte komt uitgebreider aan bod. Opvallend is dat aan de Oosterse filosofie maar liefst 400 van de 2.000 lemma's zijn gewijd. Dit is een bewuste keuze. Craig schrijft in zijn voorwoord: 'Iemand die zich wil onderleggen in de boeddhistische wijsbegeerte zal zich net zo bediend weten als diegenen die filosofische logica zoeken.'

De meeste lemma's getuigen van een enorme expertise. De dagen van autodidacten als Otterspeers Bolland zijn voorbij. De filosofie heeft de gedaante van een productieve, positieve wetenschap aangenomen. Het aantal tijdschriften is exponentieel toegenomen. Veel academische filosofen zien wijsbegeerte als een vak en niet als een roeping. Dit blijkt op allerlei gebieden, misschien wel het duidelijkst op dat van de geschiedenis van de filosofie, waar de ahistorische benadering van wijsgerige teksten heeft plaatsgemaakt voor een contextuele en vaak filologische tekstanalyse.

Eenzelfde voortschrijdende professionalisering kenmerkt ook de mathematische logica die zich ontwikkeld heeft tot een zelfstandige wetenschap met een eigen probleemveld dat ver verwijderd ligt van dat van de wijsbegeerte.

De ethiek heeft een ware Renaissance doorgemaakt. De taalfilosofische analyse van ethische uitspraken is vervangen door theorievorming. Het negentiende eeuwse utilisme (je moet dat doen wat het beste is voor het grootste aantal mensen) is in subtielere vorm teruggekeerd als consequentialisme, maar moet nu concurreren met Neo-Aristoteliaanse deugdenethiek en Neo-Kantiaanse plicht-ethiek.

De filosofie van de geest (philosophy of mind) is in dertig jaar onherkenbaar veranderd. In de jaren zestig waren behaviourisme en een dualisme van geest en lichaam nog serieus te nemen posities. Door de opkomst van de sub-persoonlijke psychologie en de cognitie-wetenschap zijn traditionele opvattingen over menselijk gedrag en de geest ontworteld, en talloze theorieën bieden zich aan om deze begrippen een nieuwe plaats te geven in ons denken.

Versplinteren

Door deze ontwikkelingen is er een afbakening van disciplines binnen de wijsbegeerte gekomen. Men is niet langer filosoof maar ethicus, logicus, historicus van de wijsbegeerte, taalfilosoof, Heidegger-exegeet, sociaal filosoof of Wittgenstein-interpreet.

Deze specialisatie komt tot uiting in de samenstelling van deze encyclopedie. Craig werd bijgestaan door 32 assistent-redacteuren die ieder een gebied van de wijsbegeerte voor hun rekening hebben genomen en er voor hebben gezorgd dat het niveau van de bijdragen hoog is.

De meeste auteurs zijn erin geslaagd in kort bestek de opvattingen van een filosoof, de stand van zaken in een bepaald vakgebied of een wijsgerig probleem helder en duidelijk uiteen te zetten. Andere pluspunten zijn het uitgebreide register dat in een apart tiende deel is opgenomen en de bibliografieën die aan ieder lemma zijn toegevoegd, ofschoon die zich in de meeste gevallen beperken tot Engelstalige literatuur.

Natuurlijk is er in een werk van een dergelijke omvang een enkele faux pas. Merkwaardig is dat er geen lemma is opgenomen over de Nederlandse wiskundige L.E.J. Brouwer, ofschoon zijn opvattingen wel ter sprake komen, noch over de Poolse filosoof Kolakowski. Merkwaardig is ook het ontbreken van lemma's over 'verisimilitude' (waarheidsgelijkenis), 'inferentie' en 'idee'. De lijst van landen waarvan de wijsgerige traditie wordt besproken lijkt volkomen willekeurig te zijn samengesteld. In het register komt het voor dat één persoon drie keer vermeld wordt en dat twee andere individuen gezamenlijk één keer vermeld worden. Natuurlijk heeft de computer, zonder welke deze uitgave niet mogelijk zou zijn, de spelling gecontroleerd, maar de digitale almacht herkent niet de spelfout in 'Zero's ideal state'.

De encyclopedie van Edwards was het eerste Engelstalige filosofische naslagwerk. (In het Duits is er vanaf de negentiende eeuw Eislers Wörterbuch der philosophischen Begriffe.) Craigs encyclopedie verschijnt echter in een tijd waarin het ene na het andere filosofische handboek uitkomt dat één bepaald vakgebied of één bepaalde periode uit de geschiedenis van de wijsbegeerte bestrijkt. Door de exorbitant hoge prijs van ƒ 7.361,55 moet men zich de vraag stellen of aanschaf verantwoord is. Die vraag is bovendien gewettigd omdat deze encyclopedie in feite een verzameling is van door de assistent-redacteuren samengestelde handboeken. Wie nooit een lemma zal opslaan over bio-ethiek of Boeddhistische filosofie kiest natuurlijk voor de handboeken op gebieden waar hij wel in geïnteresseerd is. De meeste van die handboeken zijn bovendien uitvoeriger en bevatten soms bijdragen van betere filosofen.

Veroorloven

Niet alleen een individuele lezer staat voor deze overweging. Zelfs een faculteitsbibliotheek met een budget van rond de ƒ 40.000 per jaar kan zich deze aanschaf niet veroorloven. Als het uitgeven van een encyclopedie van de filosofie blijkbaar zoveel moet kosten, als zelfs filosofen zich specialiseren, als bovendien alles wat we willen weten en nog veel meer dat we niet willen weten op het internet te vinden is, zijn we dan niet in het post-encyclopedische tijdperk beland?

Het antwoord op die vraag biedt de etymologie van een woord dat veelbetekenend genoeg in Edwards encyclopedie nog wel, maar in deze geen lemma meer heeft gekregen. Het woord 'encyclopedie' stamt van het Griekse egkuklopaideia en betekent 'allround opvoeding'. Diderot kon in de door hem samen met d'Alembert geredigeerde Encyclopédie, ou dictionnaire raisonné des sciences, des arts et des métiers nog schrijven dat een encyclopedie de algemene wijze van denken zou moeten veranderen. Het ideaal van een brede, algemene ontwikkeling en denkwijze is vervlogen en daarmee de idee van encyclopedie. Wat rest is schoonheid. De Routledge Encyclopedia of Philosophy is een prachtig bezit.