Moeten

De mol en de aardworm hadden het over moeten.

“We moeten ons nooit vertonen”, zei de aardworm.

“Nee”, zei de mol.

“En we moeten nooit het daglicht verdragen”, zei de aardworm.

“En als iemand roept: Kom eens te voorschijn! dan moeten we roepen: Nee! Nooit!” zei de mol.

“Nee! Nooit!” riep de aardworm. “En we moeten voorzichtig zijn.”

“We moeten heel voorzichtig zijn.”

Zo spraken zij lange tijd met elkaar over moeten.

Toen zei de mol: “Zullen we het nu over zullen hebben?”

“Dat is goed”, zei de aardworm.

“Zullen we dansen?” vroeg de mol.

“Zullen we dat wel doen?” vroeg de aardworm onzeker.

Maar de mol sloeg al een voorpoot om het middel van de aardworm en even later dansten ze in het donker onder de grond.

“Bovendien”, zei de aardworm zachtjes, “kunnen we het ook nog over kunnen hebben”. Hij had het gevoel dat hij zweefde.

De mol knikte, maar het was zo donker dat de aardworm dat niet zag.