Moderne Friezen

Johan Frieswijk, Jo Huizinga, Lammert Jansma, Yme Kuiper (redactie): Geschiedenis van Friesland 1750-1995. Boom/Fryske Akademy, 368 blz. ƒ 59,50

Friese editie: Skiednis fan Fryslân 1750-1995. Boom/Fryske Akademy, 368 blz. ƒ 59,50

Friesland zakt af. Woonden er eeuwenlang ongeveer acht procent van de Nederlanders, nu is dat geen vier procent meer. Was het gewest in de achttiende eeuw na Holland het rijkste van de Republiek, nu bungelt het al jaren onderaan de lijst van het gemiddelde inkomen. Het opleidingsniveau is relatief laag en in 'De Graanen, het Vee, en het Suivel' waarop de provincie zich vanaf de achttiende eeuw concentreerde, vindt nog maar zeven procent van de beroepsbevolking werk.

Maar er zijn lichtpuntjes. Sinds lang beroept de provincie zich op haar eigen karakter en sinds kort heet ze officieel 'Fryslân'. De elfstedentochten en de schaatswedstrijden in Thialf zetten Friesland op de kaart, er is water om te zeilen en ruimte om te wonen. Wat zullen dus auteurs van een geschiedenis van Friesland doen? Gaan zij het unieke van de Friese geschiedenis tonen, de nadruk leggen op de eigenzinnigheid van de provincie en het klein-maar-dapper thema bespelen? Nee, dat doen zij niet.

De auteurs van Geschiedenis van Friesland willen juist vermijden Friesland als 'museumdorp' te presenteren en kiezen als 'ordeningsprincipe' modernisering. Modernisering doelt op schaalvergroting en voortdurend toenemende communicatie en betekent vooral dat alles meer op elkaar gaat lijken: iedereen dezelfde school, dezelfde kleding, dezelfde televisie. Met dit uitgangspunt sluiten de auteurs aan bij een gerespecteerde benadering en is de basis gelegd voor een solide werk. Van meet af aan is duidelijk dat hier misschien ook Friezen aan het woord zijn, maar in ieder geval wetenschappers. Wetenschappelijke respectabiliteit wordt ook benadrukt door het grote aantal deelaspecten en medewerkers. Terwijl de opstellen elkaar vaak raken, is er toch voor gekozen ieder aspect en iedere periode weer aan een nieuwe auteur toe te wijzen.

In bijna alle stukken wordt duidelijk gemaakt dat Friesland steeds meer een gewoon deel van Nederland is geworden. De 'Friese cultuur' is nauwelijks meer dan een kunstmatig verzet tegen deze onontkoombare tendens en van de 'Friese identiteit' is alleen de taal overgebleven (die overigens wel een sterke positie inneemt). Competent doen de auteurs hun verhaal; ze kennen niet alleen de Friese maar ook de algemeen-Nederlandse ontwikkeling goed; bovendien verlevendigen de illustraties niet alleen de tekst maar voegen ze er iets aan toe.

Niet alles is natuurlijk even spannend, al was het maar omdat het verhaal van de modernisering, voor welk gebied (in West-Europa) het ook verteld wordt, in grote lijnen nogal eenvormig is. Voor wie er oog voor heeft, gaat er hier en daar een lichte tragiek achter schuil. In het boek is het ontwerp uit 1863 van een station voor de havenstad Harlingen afgedrukt; het station zou in een veel grotere stad niet hebben misstaan. Maar het werd niet gerealiseerd. De Harlingers droomden van een spoorweg die hun haven zou opkrikken door die met Duitsland te verbinden. Maar toen het zover was, bleek Friesland in de economische periferie te zijn beland en was een veel kleiner station ruim voldoende. De auteur over demografie merkt verscheidene keren op dat Friesland nu naar inwonertal een veel grotere provincie zou zijn geweest als er niet voortdurend Friezen waren vertrokken. Het verhaal van de migranten naar Amsterdam en naar de Verenigde Staten, die tijdens de landbouwcrisis aan het einde van de negentiende eeuw de provincie verlieten, vertelt hij echter niet en van hun dromen en teleurstellingen horen we niets.

Enkele onderwerpen zijn het slachtoffer geworden van de verkaveling in deelaspecten. De auteurs wijzen er zelf al op dat de godsdienst er wat bekaaid afkomt, terwijl lange tijd de godsdienstige ontwikkeling van Friesland toch spectaculair was: een hoog percentage gereformeerden en een hoog percentage onkerkelijken, soms zelfs verenigd in dezelfde streek. De grote Friese bijdrage aan de antirevolutionaire partij en aan de ontwikkeling van het socialisme wordt natuurlijk wel genoemd, maar had toch meer aandacht verdiend.

Een grote afwezige is het toerisme. Meer dan verspreide opmerkingen worden er niet over gemaakt, terwijl bijvoorbeeld de musealisering van stadjes als Stavoren of Hindeloopen toch een mooi onderwerp is. Van de verknoping van toerisme en Friese identiteit is ook meer te maken dan de loutere combinatie van commercie en constructie, die zij vanuit het moderniseringsperspectief wellicht lijkt. Misschien zou ook een afsluitend, problematiserend essay aardig zijn geweest.

Toch valt er veel uit het boek te leren. Wie iets over de Friese demografische, sociaal-economische, politieke of culture ontwikkeling in de laatste tweeënhalve eeuw wil weten, vindt hier veel bij elkaar. Of het nu gaat om de relatieve achteruitgang van de kaasproductie, de invoer van 'gemaakte kleren' (confectie) rond 1870, de zitplaats van de Friese afgevaardigden in de Kamer in de negentiende eeuw of de verkiezingsstrijd uit die tijd: 'Pligt gebiedt de ruiten der confessionelen in te gooijen', schreef de liberale Friesche Courant in 1877. Ondanks de verkaveling van onderwerpen, is het aantal pagina's bovendien overzichtelijk gebleven en lopen de verhalen goed.