Landbouw-Economisch Instituut: meer efficiency en kwaliteit nodig; Fruitteler zoekt uitweg uit crisis

De Nederlandse fruitteelt zit in een crisis. Wie overleeft, en wie niet? Een dag uit het leven van Cees de Jongh, appelteler in de Noord-Oostpolder.

MARKNESSE, 4 SEPT. De appels van vorig jaar zijn op en de supermarkten van Super de Boer staan te springen om nieuwe. Het is nog vroeg in de ochtend, de dauw hangt tussen de fruitbomen van appelteler Cees de Jongh (44) in Marknesse. Vier huisvrouwen plukken in hoog tempo alles wat maar een beetje blos heeft, en net groot genoeg is, van de takken. De Alkmene-appels zijn hard en nauwelijks rijp. “Je kan de boel wel laten hangen”, zegt De Jongh, “maar dat wordt keihard afgestraft.”

Nu krijgt hij nog twaalf dubbeltjes per kilo. Straks, als alle telers gaan oogsten, is dat misschien nog maar tachtig cent. Na jaren van verlies wil De Jongh nu wel eens een beetje geld verdienen. Hij rekent voor: om een kilo appels aan een boom te krijgen, moet je zestig cent investeren. Dan moeten ze worden geplukt, gekoeld, ingepakt en afgezet. Vandaag verdient hij, met een beetje geluk, een dubbeltje per kilo. Dat is uitzonderlijk. “De consument is gewend dat een puntgave appel bijna gratis is.”

Dat je met de appels die vandaag worden geoogst “een gat in je kop kan gooien” is niet erg. De consument wil dat. De ideale appel is rood, volmaakt rond, helemaal gaaf en keihard. “De buitenkant is belangrijker dan de binnenkant. Als het maar een beetje zoet-zure smaak heeft, is het al prachtig.” Zelf houdt De Jongh meer van een rijpe appel. Als het aan hem lag, wachtte hij nog een week of wat met oogsten.

Zorgvuldig leggen de pluksters Isabelle en Harmke de appels die te klein of te misvormd zijn in een aparte kist. De Jongh kijkt gekweld. “Maar als ik het niet doe, doen de sorteerders het wel.” En dus gaan de te groene exemplaren, of die met een klein plekje op de schil ook apart. De kisten met misfits gaan voor een ramsj-prijs naar de conservenfabriek.

De consument denkt: appels groeien in de fabriek. Kijk je in de supermarkt, zegt De Jongh, dan ga je het bijna geloven. Het hele jaar door liggen er Elstar-appels in de schappen. Supermarkten verkopen binnenkort 75 procent van al het fruit. Zij beslissen wanneer de appels rijp zijn, en zij bepalen welke soorten aan de bomen mogen groeien. De Golden Delicious is wel lekker, maar hij is groen en dat verkoopt niet. Het moet Elstar zijn. Die appel werd in 1955 uitgevonden door veredelaars, en is met zijn rode blos en frisse smaak nog altijd populair. De Jongh: “De winkels zitten niet te wachten op allerlei rasjes. Dat is te verwarrend voor de consument.”

Tussen de middag eet De Jongh met zijn vrouw Agnes een boterham aan de keukentafel, de pluksters lunchen in de schuur. Hij is gespannen. Vandaag moeten de Alkmenes de deur uit, de Elstar-oogst kan elk moment beginnen, en hij moet nog plukkers werven. Dochter Leonie van veertien maakt zich vast onzichtbaar, ze heeft al twee weken geholpen. Huisvrouwen bestaan nauwelijks meer, scholieren zitten alweer op school, alleen de asielzoekers blijven over. De Jongh heeft twee tweedehandscaravans gekocht, daar kunnen de ingehuurde Iraniërs tijdens het plukseizoen wonen.

De telers die straks overblijven moeten efficiënter gaan plukken, vindt het Landbouw-Economisch Instituut (LEI). In Frankrijk worden de eerste plukrobots getest. De robots kunnen kleur en grootte onderscheiden, alleen de appel onbeschadigd uit de boom halen, dat kunnen ze nog niet. Huisvrouwenhanden zijn voorlopig handiger én goedkoper, vindt De Jongh. De Elstars van deze herfst worden tot maart volgend jaar gegeten. De gokkers onder de telers leggen hun waar in de koelcel en wachten tot de prijzen stijgen. Bijt de consument in april in een melige, smaakloze appel, dan heeft de teler de bewaartijd overschat. Een schande, vindt het LEI. De Nederlandse fruitsector overleeft alleen als de kwaliteit van het fruit beter wordt. Geen gespeculeer meer, het fruit moet rechtstreeks naar de supermarkt, dan wordt het daar wel in de koeling gestopt.

Voor De Jongh is het elk jaar weer een dilemma, zegt hij. Hij kan zijn fruit vroeg in het seizoen 'van het hout af' verkopen. Een handelaar betaalt hem dan op voorhand één prijs voor de hele oogst. Soms is het juist gunstiger de prijzen op de veiling af te wachten. Om het risico voor individuele telers te verminderen, hebben dertig telers de coöperatie Unistar opgericht. Iedereen brengt de oogst naar Unistar, en daar worden de appels geselecteerd. Zo kan Unistar grote, uniforme partijen leveren aan de afnemers. Precies wat de supermarkten graag willen.

Die samenwerking is typisch voor telers in de Noordoostpolder, zegt De Jongh. In de polder heerst nog de pioniersgeest, het 'samen zijn we sterk'. Telers uit de Betuwe, 'het oude land', speculeren ieder voor zich rustig door. Maar, om heel eerlijk te zijn, ook De Jongh heeft nog een partijtje in de koelcel liggen. “Van idealen kun je niet leven.”

In de schuur van De Jongh staan de lege appelkisten tot aan het plafond opgestapeld. In elke kist past 330 kilo. Op een bord boven de deur staat: 'Dames en heren, eet meer appels en peren'. Het lijkt een noodkreet. Een Nederlander eet gemiddeld 22 kilo appels per jaar. Ze eten niet minder appels, alleen andere. Die uit China bijvoorbeeld, of uit Nieuw Zeeland. In appels zit geen groei meer, voorspelt het LEI. Daarom moeten minder telers op minder hectares meer kweken. In peren zit nog een beetje rek. Maar de echte toppers en de grootste concurrenten van de Nederlandse appel zijn de 'exoten'. Heel af en toe koopt Agnes de Jongh die nectarines, kiwi's of perziken. De Jongh eet er met tegenzin van. Om drie uur is het theetijd. Onder de appelbomen zitten de pluksters op fruitkistjes. De Jongh wijst de bomen aan die hij dit jaar zal vervangen. Er komen betere bomen met 'rodere mutanten', en hij breidt zijn land, nu veertien hectare, uit met nieuwe aanplant.

Hij houdt moed, zegt hij, hij moet wel. Zeker tien collega's uit de buurt hebben deze zomer gebruikgemaakt van een Europese rooiregeling. Ze kregen tienduizend gulden per hectare, als ze beloofden daar nooit meer appelbomen te planten. “Een oprotpremie”, zegt De Jongh. Hij blijft investeren. “ Doe ik dat niet, dan weet ik zéker dat ik bij de groep hoor die ten onder gaat.”