J.B. Charles: Volg het spoor terug, 1953

J.B. Charles, Volg het spoor terug. Bezige Bij, 328 blz. (uitverkocht)

Het spoor terug volgen naar de tijd van het verzet, dat lag kort na de oorlog niet voor de hand. Men hoorde toen in Nederland liever niet over die periode, zo kon elke boekverkoper vertellen. Over de oorlog beginnen, wekte al gauw de indruk dat je rancuneus was. Het gros van de bevolking had tijdens de bezetting geen sores gewild en zich aangepast. In het verzet gaan, was niet de norm geweest, dat wil zeggen abnormaal. Aan het bestaan van dat verzet herinnerd worden, was voor veel Nederlanders slecht voor het zelfrespect.

Waarom dan toch begonnen aan dit boek, vraagt J. B. Charles (pseudoniem van W.H. Nagel) zich hardop af. 'Ik moet mijn woede kwijt', schrijft hij. Woedend was hij op al die landgenoten die met een beroep op hun 'neutraliteit' de voorkeur hadden gegeven aan voorzichtigheid, zo ze niet alles wat er was gebeurd eigenlijk wel best hadden gevonden. Maar belangrijker nog is voor hem dat hij zijn eigen gedrag wil onderzoeken. Het dubbelleven dat hij zich tijdens de bezetting moest aanmeten, als de departementsambtenaar Willem Nagel die naast zijn dagelijkse burgerbestaan onder vele schuilnamen (onder andere 'Charles') verzetswerk verrichtte, heeft hem tot de vervalser van zijn eigen identiteit gemaakt. Het is hoog tijd voor een ontmaskering, wil die status niet ondragelijk worden.

Volg het spoor terug, dat eerder in afleveringen in het tijdschrift Podium verscheen, is in de eerste plaats een ontleding van de motieven die de verzetsman tot zijn roekeloze gedrag brachten. Het is, schrijft Charles zelf, een chaotisch boek. Herinneringen aan en bespiegelingen over zijn illegale activiteiten zijn vermengd met verslagen van recente reiservaringen en meningen over actuele politieke gebeurtenissen. Met dat resultaat is hij niettemin tevreden, want als het een overzichtelijk werk was geworden, dan had de indruk kunnen ontstaan dat er een sluitend antwoord bestaat op de vraag naar het waarom. De taak zo'n antwoord te geven heeft de schrijver zich weliswaar gesteld, maar hij weet dat zij nooit helemaal vervuld kan worden.

De essentie van de verzetsdaad lag volgens Charles besloten in de uitroep: 'Ik verdom het'. Op het beslissende moment weigeren het lot te aanvaarden en te besluiten het in eigen handen te nemen, dat was doorslaggevend geweest. Niet de bekommernis om koningin, vaderland, vrijheid of welke verheven waarde dan ook had hem tot zijn gedrag gebracht, maar de eisen van het 'z.g.' geweten: 'die hoogstpersoonlijke intellectuele en ethische bloedvaten en kringspieren'. Voor Charles kwam het beslissende moment toen de eerste vervolgingsmaatregelen tegen joodse medeburgers werden afgekondigd.

Zijn boek biedt een fascinerend relaas van het verzetswerk, verteld door iemand die niet alleen dapper is geweest, maar ook prachtig kan schrijven. Hij beschrijft hoe het was om tegelijkertijd joodse onderduikers en NSB-buren te hebben. Hoe zwaar de beslissing viel om die onderduikers elders onder te brengen toen hij in verband met zijn inlichtingenwerk niet het risico mocht lopen dat zijn huisgenoten op de hoogte raakten van zijn activiteiten. Hij vertelt ook hoe vervreemdend het was om je lot in handen te leggen van contacten die anoniem moesten blijven. En hij maakt duidelijk hoe groot de wroeging is over het besluit om een koerierster die van dubbelspel werd verdacht na haar smeekbeden niet te liquideren. Vervolgens verraadde ze nog eens meer dan twintig kameraden: 'Zij zouden hebben kunnen leven als wij sneller geëxecuteerd hadden.'

Angst was volgens Charles niet het ergste voor wie gevangen werd genomen door de Duitsers. Wat vooral werd gevraagd was een gevecht tegen het fatalisme, de neiging de strijd op te geven en te aanvaarden dat het met je leven was afgelopen. Zelf slaagde hij erin na zijn arrestatie en aanwijzing als Todeskandidat te ontvluchten. Sindsdien was het niet meer mogelijk, ook na de bevrijding niet, in een vreemde omgeving te slapen zonder de mogelijkheid te hebben onderzocht om te ontsnappen als er wat gebeurde.

Charles worstelt in zijn boek met de vraag of hij het Duitse volk mag haten. De gedachte dat 'Teutonen endogeen tot misdadigheid zijn gepreformeerd' is, zo weet hij, onzinnig. Tot de belangrijkste contacten van zijn verzetsgroep behoorden Lüse en Hermann, een Duits stel dat op de Wehrmachtskommandantur werkte. Toch blijft hij zich achtervolgd voelen door de wetenschap dat zo'n miljoen Duitsers actief hebben meegewerkt aan een ongekende barbarij. Hij is geobsedeerd door de overtuiging dat 'de' Duitsers na hun nederlaag niet zijn veranderd. Als om zichzelf te kwellen steekt hij eind jaren veertig de oostgrens over om walgend vast te stellen dat 'deze kortbenige, vethuidige, kaalhoofdige, dikbuikige, sentimentele en valse, vlijtige en spijkerharde Helmuth Müller's en Hermann Maier's' niet te vertrouwen zijn', ook al verbiedt zijn verstand hem om in de fout te vervallen hen als leden te beschouwen van een 'inferieur ras'.

Kortom, de oorlog was voor Charles niet in mei 1945 opgehouden. Dat bleek ook uit zijn opvattingen over actuele politiek. Zijn woede richt zich vooral tegen de Amerikaanse plannen om de Bondsrepubliek in het kader van de Koude Oorlog te herwapenen. Hij ziet niets in het communisme en hekelt de 'monsterachtige' processen in Praag tegen de 'zionistische' vijanden van Stalin. Maar zijn principiële verzetshouding eist evenzeer een afwijzing van het pro-Amerikaanse conformisme en hij kiest dan ook voor de ongemakkelijke 'Derde Weg'. Die houding leverde hem een positieve bespreking op in het communistische dagblad De Waarheid, terwijl zijn collega-verzetsman W. van Norden in Het Parool waardering voor de herinneringen van Charles vergezeld liet gaan van kritiek op diens 'schuimbekkende' oordelen over actuele ontwikkelingen.

Eén vraag wordt in Volg het spoor terug niet gesteld: wat heeft het verzet bijgedragen aan de Duitse nederlaag? Charles maakt zich terecht geen illusies op dat punt: de oorlog is gewonnen dankzij het overwicht van de westerse geallieerden in tanks en vliegtuigen. Het belang van de illegaliteit lag volgens hem vooral in de loyaliteit met de vervolgden.

Men kan hem alleen maar bijvallen, met de toevoeging dat het verzetswerk van hem en zijn kameraden ook de leden van latere generaties in staat stelt om als Nederlander niet alleen met schaamte over de passiviteit van zovelen, maar ook met trots over de 'ik verdom het'-houding van zo weinigen, terug te kijken op de bezettingsjaren. Zoals hij zelf schrijft over hun vermetele gedrag: 'het was dwaas, maar een beetje groot was het wel'.

Zijn meer dan tienmaal herdrukte boek blijft ook bijna een halve eeuw na verschijning de meest indrukwekkende getuigenis van het illegale werk die de Nederlandse literatuur heeft opgeleverd. 'Het zal', schreef Simon Vestdijk, 'altijd actueel blijven, in zijn kwaliteit van vorm geworden stem van het geweten'.