In Kosovo tekent zich humanitair drama af

In Kosovo tekent zich bij het naderen van de winter een humanitaire ramp af: vele tienduizenden vluchtelingen bivakkeren in de bergen en bossen zonder enige vorm van onderdak of hulp.

ROTTERDAM, 4 SEPT. Het afgelopen weekeinde sloeg in Kosovo het weer om: de temperatuur daalde 's nachts tot zeven graden en in de bergachtige gebieden was het nog kouder. Slagregens kondigden de komst van de herfst aan.

Het was voor de hulporganisaties, die in de Servische provincie de honderdduizenden vluchtelingen trachten te helpen, een laatste alarmsignaal: als nu geen oplossing wordt gevonden voor de Albanezen die van huis en haard zijn verdreven, is het binnenkort te laat. Voor velen is het dat nu al.

De intensiteit van het conflict in Kosovo, waar het slechtbewapende Albanese Bevrijdingsleger UÇK vecht tegen de goedbewapende Servische politietroepen en het Joegoslavische leger, maar ook de strategie van de Serviërs bepalen de ernst van de situatie van de vluchtelingen. De Servische troepen passen de tactiek van de etnische zuivering toe - niet overal in Kosovo, maar wel in strategisch belangrijke gebieden als de grensstreek met Albanië en het centrale deel van Kosovo, waar de steun voor het UÇK het grootst is. De strategie is simpel, rigoureus en wreed: dorpen van Albanezen worden met artillerie beschoten; de bewoners slaan op de vlucht; vervolgens trekken de Serviërs de dorpen binnen en steken systematisch alle huizen in brand, om een terugkeer van de bewoners onmogelijk te maken. In veel gevallen worden de bewoners achtervolgd en worden de primitieve tentenkampen die ze in de heuvels opslaan, ook beschoten en in brand gestoken. Inmiddels is eenderde van alle dorpen in Kosovo door de Serviërs aangevallen.

De Serviërs hebben niet genoeg manschappen om de ingenomen dorpen blijvend te bezetten: als die eenmaal zijn platgebrand trekken ze weg. Maar ze keren wel regelmatig terug, en dat weerhoudt de Albanese vluchtelingen ervan naar hun huizen terug te gaan - als er nog huizen zijn om naar terug te keren. De Serviërs gaan er gemakshalve van uit dat in de 'lege' gebieden alles wat beweegt een UÇK-strijder moet zijn op wie mag - zelfs moet - worden geschoten.

Niet alleen de Albanezen vluchten, in Kosovo. De Serviërs en Montenegrijnen die er wonen - tien procent van de bevolking van twee miljoen - vluchten ook, naar Servië en Montenegro. Steeds meer niet-Albanezen vinden dat ze geen toekomst hebben in Kosovo en gevaar lopen. Enkele tientallen Servische en Montenegrijnse burgers zijn tot nu toe door het UÇK ontvoerd en vermoord.

Aldus zijn, sinds eind februari de Serviërs hun offensief tegen het UÇK begonnen, 265.000 mensen op de vlucht gedreven, dertien procent van de totale bevolking. Sommige hulporganisaties schatten het aantal vluchtelingen op meer dan 400.000 en op een conferentie van de Raad van Europa over de vluchtelingen circuleerde in Parijs gisteren het cijfer 600.000.

Van hen bivakkeren er tenminste 50.000 in de open lucht, in de bossen en bergen, niet of pas net ontdekt door hulporganisaties, ten prooi aan het steeds slechtere weer, voedselgebrek en de angst door de Serviërs te worden ontdekt. Kinderen sterven aan uitdroging, vrouwen sterven als ze kinderen ter wereld brengen, bejaarden sterven van uitputting. Veel vluchtelingen wachten in het ontoegankelijke grensgebied met Albanië op een kans die grens over te vluchten - maar durven niet omdat overal mijnen zijn gelegd.

Het werk van de hulpverleners wordt bemoeilijkt door de Servische autoriteiten. Verzoeken om scholen in te richten als opvangcentra worden niet eens beantwoord. Veel produkten mogen van de Serviërs alleen aan (staats)groothandelaren worden verkocht, niet aan particuliere organisaties zoals de hulporganisaties. Dat geldt voor levensmiddelen, waspoeder, benzine en schoonmaakmiddelen. Hulporganisaties mogen ook geen konvooien uitsturen zonder schriftelijke toestemming van de financiële en de gewone politie. Als die toestemming er eenmaal is, is ze nog geen garantie dat zo'n konvooi niet bij de eerste de beste Servische politiepost wordt teruggestuurd. Buitenlandse hulpverleners moeten vier tot zes weken op een visum wachten, en dat wordt nogal eens geweigerd. Vorige week lieten de Serviërs een voedselkonvooi van de (Kosovaarse) Moeder Teresa Sociëteit (veruit de meest actieve hulporganisatie in Kosovo) passeren, om prompt met een tank en vervolgens met machinegeweren het vuur te openen: drie doden.

De buurlanden van Kosovo kampen inmiddels met steeds grotere problemen bij de opvang van de vluchtelingen die er wèl in slagen uit hun provincie te ontkomen. De veertienduizend Kosovaren in Albanië bivakkeren er in het meest onontwikkelde en onherbergzame deel van een land dat zelf al een enorm ordeprobleem heeft. In Macedonië zitten achtduizend Kosovo-Albanezen, in Bosnië officieel 1.600 maar in werkelijkheid vijfduizend (eind dit jaar zullen het er tienduizend zijn) en in Montenegro zijn het er inmiddels 34.000. In Montenegro komen er elke dag 250 tot 300 bij.

Montenegro maakt zich zorgen over de invloed van de komst van al die Albanezen op de etnische samenstelling van de Montenegrijnse bevolking. Montenegro telt 600.000 inwoners, onder wie een Albanese minderheid van 40.000. Die minderheid is door de toevloed uit Kosovo bijna verdubbeld. Een op de tien inwoners van Montenegro is vluchteling, want het land telt ook nog 30.000 vluchtelingen uit Kroatië en Bosnië.

Daar komt bij dat in werkelijkheid het aantal vluchtelingen uit Kosovo hoger ligt dan 34.000: velen melden zich na aankomst in Montenegro niet en duiken onder, al dan niet bij familieleden. In de stad Ulcinj - 20.000 inwoners, van wie 72 procent Albanees - zitten nu 14.000 Kosovaren die zich wèl en zeker zesduizend die zich niet hebben gemeld. De bevolking van Ulcinj is derhalve in enkele maanden verdubbeld.

Volgens de Amerikaanse regering verkeren in Kosovo zelf 100.000 vluchtelingen in levensgevaar nu de winter voor de deur staat. Washington stuurde onlangs Julia Taft, onderminister van Buitenlandse Zaken, belast met vluchtelingenzaken, naar Kosovo. Maar toezeggingen van de Servische autoriteiten heeft ze niet gekregen. De Amerikaanse bemiddelaar in de crisis, Christopher Hill, vroeg dinsdag de Joegoslavische leider Slobodan Miloševic om medewerking bij de bestrijding van de vluchtelingencrisis. In het openbaar houdt het Servische bewind vol dat er van een humanitaire crisis in Kosovo evenwel geen sprake is: die crisis is simpelweg een door de Albanezen en het Westen kunstmatig geschapen probleem dat het Westen een alibi moet geven zich met Kosovo te bemoeien.