Granaatscherven zijn souvenirs geworden; Het filmfestival van Sarajevo zoekt zijn eigen kracht

Het filmfestival van Sarajevo is een van de belangrijkste krachten achter de culturele heropleving van de stad. Dat lukt, zo goed zelfs dat Sarajevo een 'gewoon' festival begint te worden. Al blijft het een merkwaardige ervaring om 'Armageddon' te zien op het plein van een stad die onlangs nog dagelijks werd bestookt met vierduizend granaten.

Ballen van vuur suizen door de lucht en slaan diepe kraters in de straten. Gebouwen zijgen ineen, auto's worden weggeblazen. Met de special effects is niets mis. Het geweld komt uitstekend tot zijn recht op het grote scherm in de open lucht. Op een grote binnenplaats kijken 2500 mensen naar Armageddon, de openingsfilm van het vierde Sarajevo Film Festival. Dit publiek heeft bij het zien van het Hollywood-spektakel vermoedelijk andere associaties dan de asteroïde waar het in de film om draait. Vier jaar lang werd de stad vanuit de omringende heuvels dagelijks bestookt met vierduizend granaten.

Het wordt nog wranger. Met briljant gevoel voor drama heeft de festivalstaf besloten om het openingsfeest plaats te laten vinden in het hoofdpostkantoor. Ooit moet het een weelderig gebouw zijn geweest, gebouwd in de Oostenrijks-Hongaarse tijd op een prominente plek aan de rivieroever. Nu is het een reusachtig karkas, met gaten in plaats van ramen. In de nacht van 2 mei 1992, de dag dat het beleg van Sarajevo begon, werd het gebouw van binnenuit opgeblazen. Kort daarvoor, zo wil het verhaal, had iemand op de muur gekalkt: 'Dit is Servië'. 'Nee oen', had iemand anders er onder gezet, 'dit is het postkantoor.' Binnen zijn de verdiepingen weggeslagen en de muren geblakerd. Middenin staat een lange tafel, gevuld met een overdadig buffet dat onvermijdelijk doet denken aan Peter Greenaway. Terwijl de gasten verbaasd binnenstromen, zorgt een dj voor een soepele overgang van qawwali-muziek naar techno. Het festival kan beginnen.

Niemand komt onbevangen naar Sarajevo. De eerste associatie met de hoofdstad van Bosnië-Herzegovina is oorlog, niet cultuur. Tweeëneenhalf jaar na de beëindiging van het beleg, op 26 februari 1996, lijkt Sarajevo nog steeds niet de meest voor de hand liggende plaats voor een filmfestival. Juist wel, vonden de initiatiefnemers die de eerste editie tijdens de oorlog organiseerden. Mensen die zich moeten verschuilen in kelders, over straat moeten rennen om water te halen en de stad niet kunnen verlaten, hebben behoefte aan cultuur. Als verzetje, maar ook als bevestiging van de eigen waardigheid, als verzet tegen de poging van anderen om hen te reduceren tot anonieme, hulpeloze wezens. Haris Pašovic, een van de oprichters, wist het onbegrip fraai te pareren: 'De vraag is niet waarom wij een filmfestival organiseren in een stad die wordt belegerd, maar hoe ze het in hun hoofd halen om een stad te belegeren waar een filmfestival wordt georganiseerd.' Het initiatief ontving internationale steun. Susan Sontag kwam langs, Marco Müller stuurde films uit Locarno, het Filmfestival Rotterdam bracht apparatuur, Johan van der Keuken maakte een documentaire over het festival.

Renaissance

Inmiddels is het Sarajevo Film Festival, dit jaar gehouden van 21 tot en met 30 augustus, in combinatie met het organiserende Obala Art Centar, een drijvende kracht in de culturele renaissance van de stad. Met de letterlijke wederopbouw gaat het nog niet zo vlot, veel gebouwen liggen nog in puin. In de woonwijken zijn de inslagen in de gevels dichtgepleisterd, maar in het centrum ogen de kapotgeschoten UNIS-torens even treurig als het ongehavende, maar spuuglelijke Holiday Inn ernaast. Kunst kan makkelijker worden hersteld, soms met weinig middelen. Of met particulier geld, desnoods uit het buitenland. In de Miljacka, het dunne riviertje dat door de stad stroomt, liggen schuimrubberen strepen die het water veranderen in een snelweg. Op de boulevard ernaast maakt frivoliteit plaats voor slechte smaak: een gietijzeren poort naar het voorbeeld van Auschwitz met daarin de tekst 'Kunst Macht Frei'.

De snelweg en de poort maken deel uit van de tweede jaarlijkse expositie die wordt georganiseerd door het Soros Center for Contemporary Arts, dat in 1996 in Sarajevo werd geopend. Veel steden in Oost-Europa en de voormalige Sovjet-Unie kennen zo'n centrum, geïnitieerd door de van origine Hongaarse miljardair George Soros. Met tentoonstellingen, beurzen en documentatie spelen de centra een cruciale rol in het culturele leven van de zogenaamde 'overgangslanden', waar de overheid (nog) geen geld heeft voor cultuur. De installaties en video's van de Soros-expositie zijn gemaakt door Bosnische kunstenaars, sommigen zijn ervoor teruggekeerd uit hun nieuwe woonplaatsen elders in Europa. Beeldende kunst is in aantocht, want er wordt hard gewerkt aan het International Cultural Project ARS AEVI Museum of Contemporay Art - Sarajevo. Achter die aanduiding schuilt een plan voor een museum met vooraanstaande hedendaagse kunst, geschonken door de kunstenaars. Het gebouw zelf is er nog niet, maar het museum beschikt al wel over een collectie met werk van ondermeer Bill Viola, Anish Kapoor, Ilya Kabakov en Daniel Buren, gedocumenteerd in een fraaie catalogus.

Tegenover het postkantoor, aan de andere kant van de rivier, staat de Iraanse ambassade er heel wat florissanter bij. In de grootste winkelstraat is het Iraans Cultureel Centrum gevestigd, met uitzicht op een filiaal van Benetton. Na het Dayton-akkoord verlieten de meeste Serviërs de stad en werd Sarajevo, vanouds befaamd om haar religieuze tolerantie, een overwegend islamitische gemeenschap. Van de Iraanse pogingen om de stad te gebruiken als Europees steunpunt moeten de inwoners echter weinig hebben, daar zijn ze te seculier voor. Het uitbundige straatleven oogt mediterraan en vrij. Tijdens de openluchtvoorstelling van The horse whisperer, als regisseur en hoofdrolspeler Robert Redford voor de zoveelste maal door een gouden landschap galoppeert, weerklinkt de roep tot gebed vanaf de minaret. Een gerucht spreekt van tegen het festival gerichte affiches, met daarop de retorische vraag of film de aangewezen vorm van spiritueel vermaak is voor moslims. Als een dergelijke beweging al bestaat, dan is het verlangen naar culturele vrijheid sterker, getuige de verrassende publieksprijs voor een korte film van Cedric Klapisch. Le ramoneur de lilas behoort tot een serie van vijf voor Canal+ gemaakte pro-condoom-films en biedt onder het mom van satire ongekuiste porno.

Vriendschap

Met 98 films, verdeeld over vijf programma's, 47.000 bezoeken en ruim honderd buitenlandse gasten uit 25 landen is het Sarajevo Film Festival uitgegroeid tot een regulier middelgroot festival. Een nieuwe filmzaal-met-café, gebouwd met Zwitsers geld, zorgt voor een passend festivalcentrum. Bijna alle voorstellingen zijn uitverkocht, het jonge publiek laaft zich aan tien dagen film. Gasten, medewerkers en filmmakers sluiten tijdelijke vriendschappen, die 's nachts na de laatste voorstelling worden voortgezet in een benauwde kelder, de enige uitgaansgelegenheid die tijdens de oorlog open bleef. De speciale aantrekkingskracht van de eerste edities begint te verdwijnen, de transformatie tot 'gewoon' festival is onvermijdelijk. Festivaldirecteur Mirsad Purivatra, uitsluitend bekend onder zijn roepnaam Miro, is er niet rouwig om. “Tot nu toe kwamen mensen uit solidariteit of uit nieuwsgierigheid naar de stad, maar daar moeten we niet op blijven teren. Ze moeten komen voor ons programma, vooral voor de nationale en regionale films die we vertonen. Daar moeten we ons mee profileren.”

Miro, die binnenkort zijn dubbele directeursfunctie bij het filmfestival en Obala Art Centar verlaat om orde op zaken te gaan stellen bij het sukkelende tv-station TV Bosna, weet dat hij zich met het hoofdprogramma van buitenlandse films niet zal kunnen onderscheiden. De felbegeerde premièrefilms van spraakmakende regisseurs zal hij immers nooit kunnen binnenhalen. In het festivalcircuit is Sarajevo een kleuter, in tijd ingeklemd tussen de veteranen Locarno en Venetië. Programmeur Philippe Bober, een in Berlijn gevestigde filmproducent, heeft een zinnig alternatief bedacht voor premièrefilms. Zijn selectie vertoonde een ongebruikelijke samenhang naar inhoud en vorm, met werk van jonge filmmakers die hun maatschappelijke betrokkenheid op vernieuwende wijze presenteren. Als overtuigend voorbeeld hiervan geldt Seul contre tous van Gaspar Noé, een hard en ontluisterend portret van Frankrijk als land zonder kansen. De film werd reeds in Cannes bekroond en ontving in Sarajevo de FIPRESCI-prijs van de internationale filmpers, maar distributie in Frankrijk is zeer onzeker.

Omdat een film uit bijvoorbeeld Kazachstan wel wat hulp kan gebruiken, is de toegang tot de cryptisch getitelde In & Out-sectie gratis. Tien films uit het ruim afgebakende Oost-Europa geven een beeld van de huidige filmproductie in 'de regio'. Het valt niet mee. De op papier intrigerende film uit Albanië, over de kolonel die onder Enver Hoxha de opdracht kreeg om het hele land te bezaaien met bunkers, blijkt te braaf om te kunnen boeien. Slovenië wordt vertegenwoordigd door een onnozel provinciaals drama, Kroatië door een ranzige gangsterfilm met politieke pretenties. Voor opwinding zorgen alleen de twee films uit Joegoslavië, lees Servië, in Sarajevo alom aangeduid als 'de agressor'. In The hornet van Gorcin Stojanovic worden Albanezen in Kosovo afgeschilderd als simpele boeren met rigide tradities. Om drie uur 's nachts, tekenend voor het uiterst flexibele programma, begint voor een afgeladen zaal de eenmalige vertoning van The Wounds van Srdan Dragojevic, maker van het zeer succesvolle Pretty villages, pretty flames. Zonder ondertitels, dus onbegrijpelijk voor buitenlanders. Deze voorstelling was vooral bedoeld voor het publiek uit Sarajevo, verklaart Dragojevic de volgende ochtend bij de persconferentie. Het schijnt een goede film te zijn.

Gevoeligheden

De buitenlanders zijn het erover eens: hoeveel we er ook over lezen en praten, de diepere gevoeligheden van dit verscheurde land zullen we niet begrijpen. Nuances in de taal gaan aan ons voorbij en kunnen uiterst veelzeggend zijn. Bijvoorbeeld in de films van Sarajevo's beroemdste verloren zoon, Emir Kusturica. Zien wij in Underground de waanzin van oorlog over alle partijen evenredig verdeeld, voor zijn voormalige plaatsgenoten is het een pro-Servisch pamflet. Opvallend is daarom dat twee oudere films van Kusturica, Do you remember Dolly Bell? (1981) en When father was away on business (1985), zijn opgenomen in het overzicht van het beste uit de geschiedenis van de Bosnische cinema. Dat de festivalstaf langdurig heeft zitten twijfelen over opname van Kusturica's werk, wijst Miro af als 'een van de vele roddels'. Echt lekker zit het echter niet tussen de twee. “Emir was een van mijn beste vrienden, maar de laatste vijf of zes jaar hebben we elkaar niet gesproken. Ik heb hem niet uitgenodigd, de stap is nu aan hem, hij moet maar laten weten of hij naar het festival wil komen.” Kusturica's nieuwste film gaat een dezer dagen in première op het Filmfestival Venetië.

Het is vakantie, dus het is niet zo vreemd dat er nauwelijks studenten rondlopen in de gecombineerde film- en theaterschool. Ze zitten allemaal bij het filmfestival, als medewerker of als bezoeker. Schokkend is wel dat de school er zo treurig bijligt. In sommige leslokalen moet het puin nog worden weggehaald, het inpandige theater is al tijden niet meer gebruikt. Ooit was dit de uitvalsbasis van het befaamde Obala Theater en werd er les gegeven door Kusturica, en gewerkt door het inmiddels opgeheven filmmakerscollectief SAGA. Nu is het een dood gebouw, met wat boeken in de bibliotheek en twee videosets in een kamertje. Een gift van een Duits tv-station bleek te oud om te kunnen gebruiken. Camera's lenen studenten uit Oostenrijk, voor de afwerking van hun films gaan ze naar een laboratorium in Boedapest. Sarajevo had nooit veel faciliteiten voor filmproduktie, nu is er helemaal niets meer.

Toch vertoonde het festival vijf korte films, twee documentaires en een animatiefilm die het afgelopen jaar werden gemaakt door jonge Bosnische regisseurs. Gemaakt met minimale middelen en veel inventiviteit. Ondersteund door een fonds dat vorig jaar door het filmfestival in leven werd geroepen en het moet doen met 200.000 DM. Belangrijker dan het geld is de overtuiging dat het weer mogelijk is om films te maken in Bosnië-Herzegovina, meent studente Jasmila Zbanic, met twee films vertegenwoordigd in het Made in Bosnia-programma. Tijdens de oorlog heerste de apathie en dacht men dat het wel twintig jaar zou duren voordat er weer zoiets als Bosnische cinema zou zijn, nu keren jonge filmmakers terug uit het buitenland en willen ze aan de slag. Voor het eerst sinds de oorlog werd er het afgelopen jaar iets anders dan tv-nieuws opgenomen door de camera's in Sarajevo, schrijft Miro in de festivalcatalogus. Bij de vertoningen van de recente filmproduktie uit eigen stad was de zaal afgeladen vol. De trots is begrijpelijk, het enthousiasme aanstekelijk. Ook de vorige generatie staat te popelen om weer films te gaan maken, als Bato Cengic (1931) als representatief mag gelden. Twee films uit 1967 en 1972 van zijn hand, vertoond in het historische overzicht van Bosnische cinema, maakten veel indruk op de buitenlandse bezoekers. Problemen met de communistische censuur zorgden voor een lange periode van isolement, die nu met overweldigende geestdrift wordt ingehaald. In zijn flat toont Cengic zijn vrijwel voltooide documentaire Mona Lisa in Sarajevo op video. Overal liggen plannen voor volgende projecten en brochures van buitenlandse festivals, op een schoteltje liggen granaatscherven bij wijze van souvenir. Beelden van de kapotte stad worden in de documentaire afgewisseld met posters van Sarajevo Culturele Hoofdstad en pogingen van kunstenaars om de verwoesting te keren met kunst. Verbrand papier uit de Nationale Bibliotheek wordt hergebruikt als 'schilderij', achtergebleven metaal wordt omgevormd tot staketsels van vallende mensen. Cengic levert geen commentaar, hij toont slechts de puinhopen.

Herstel van het culturele leven in Sarajevo zal zeker nog enkele jaren vergen, hindernissen zijn er genoeg. Verbittering jegens het westen vanwege de lakse houding tijdens de oorlog is er een. Ook is er de concentratie van verschillende functies bij enkele personen, die bovendien nauw met elkaar verbonden zijn. Zij zijn degenen die tijdens en na de oorlog contact hebben gezocht met het buitenland en allerlei initiatieven hebben genomen, en ze staan nu voor de taak om de culturele sleutelfuncties uit handen te geven. Groot is de tegenstelling tussen jongeren die zijn vertrokken en vier jaar in het buitenland hebben gewoond en zij die in Sarajevo zijn gebleven. De eersten zijn in het voordeel: ze spreken vloeiend een buitenlandse taal, ze zijn afgestudeerd en ze hebben minder kans op psychische problemen. Toch lijken de kunstenaars, en de jonge filmmakers in het bijzonder, met veel vertrouwen vooruit te kijken. Jasmila Zbanic sprak voor haar mede-studenten toen ze op de slotavond van het festival een prijs in ontvangst nam. Het meest nadrukkelijk bedankte zij haar toekomstige sponsors.