Gezelligheid leidt tot luiheid; Gesprek met beeldhouwster Maja van Hall

Het werk van beeldhouwster Maja van Hall is niet gebonden aan één stijl. Soms zijn er mensfiguren in te herkennen, of mummies, soms zijn haar beelden bijna abstract. De veranderingen ontstaan door de schommelingen van het leven zelf, door wat Van Hall meemaakt, ziet en hoort. “Mijn werk is mijn biografie.”

Maja van Hall werd opgeleid in het atelier van de beeldhouwer Rudy Rooyakker in Voorburg, aan de Haagse academie en later aan de Rijksacademie in Amsterdam. Daar kreeg zij les van Esser en Grégoire en volgde ze 's avonds een tekenopleiding.

In het begin werkte ze veel in was en maakt ze vrolijke figuren. Daarna volgde een ernstiger periode. Steeds doorliep ze een nieuwe fase, maar van plotselinge stijlbreuken was nooit sprake.

Eerder is het een voortdurend variëren met, in wisselende stemmingen ontstane, vormen. Zo was daar in het, toch vrolijke, begin bijvoorbeeld een klein brons van een sloofje, een diep over haar stofzuiger gebogen huisvrouw. Ongetwijfeld heeft dat beeldje te maken met de stemming, veroorzaakt door haar actieve deelname aan de feministische beweging.

Maja van Hall, Charlotte van Pallandt e.a., tot 2 november in Stedelijk Museum De Lakenhal, Oude Singel 28-32, Leiden. Dinsdag t/m vrijdag van 10-17u, zondag van 12-17u. Boek: Maja van Hall, een beeld. Uitgegeven in eigen beheer. ISBN nr. 9080298875, 56 blz. Prijs ƒ 45,-.

Maja van Hall (61), beeldhouwster, op het ogenblik exposerend in de groepstentoonstelling Van beeld tot beeld in de Leidse Lakenhal, is voor een maand of twee naar Spanje vertrokken. Naar het Catalaanse dorp Regencós waar ze van de gemeente een verlaten schoolgebouw als atelier mag gebruiken. Ze gaat er nadenken, wat in haar geval ook wil zeggen: werken in klei uit een naburige groeve. Zoeken naar andere vormen, hardop denkend over ideeën die ze vroeger al eens heeft gehad maar toen heeft laten liggen. Of willicht geheel nieuwe ideeën. Peinzen over dingen die niet direct figuratief zijn maar ook weer niet abstract.

Op de middag voor haar vertrek zegt ze niet concreter te kunnen zijn, ze weet zelf nog niet precies wat er in Regencós zal gebeuren. In ieder geval moest ze even weg: “Als je een tijd op een vertrouwde plek hebt gewerkt, krijg je op de duur een soort trechtergevoel. Het pad wordt steeds nauwer.” Verandering van omgeving, klimaat, mentaliteit wil dan wel eens helpen.

Ze zegt ooit in haar eentje in dat Spaanse dorpje te hebben gezeten in een periode van aanhoudende regen, met een groeiend gevoel van wanhopige eenzaamheid als gevolg. Toch of misschien juist daardoor heeft ze toen in klei vormen gemaakt die later, in haar Noordwijkse atelier, tot grote beelden met nog niet eerder gebruikte vormen hebben geleid. Het beeld Verzonken is er een voorbeeld van, ruim een halve meter hoog in rose, marmerachtige steen. Het wekt associaties op met een gedrongen menselijke figuur maar kan ook heel wat anders zijn. Het ligt er maar aan in welke stemming je het bekijkt.

Overigens zal Maja van Hall tijdens ons gesprek in haar Noordwijkse atelier plotseling met een heel concreet plan voor Spanje komen. Misschien schoot het haar wel op dat moment te binnen. Ze wijst op een terracotta-rode krijtschets aan de muur, een recht omlaag kijkend gezichtsprofiel: “Dat moet een beeld worden.” De tekening wordt opgenomen in de bagage, evenals een kleine constructie van op elkaar staande paaltjes, een soort miniatuur dukdalf. Het is zomaar een vorm, een nog niet nader omschreven idee. Het gaat mee naar Spanje als aanhechtingspunt voor verdere gedachten waaruit wellicht een beeld kan ontstaan.

Mummies

Velen die de naam Maja van Hall kennen zullen haar associëren met een serie mysterieuze beelden van zittende figuren, die van top tot teen met zwachtels aan hun stoelen gekluisterd waren. De windsels maakten er een soort mummies van. “Die beelden zijn van honderd jaar geleden”, zegt ze nu. Ze ontstonden in een periode toen ze vorm trachtte te geven aan het onzegbare verdriet na het verlies van haar dochtertje Eva, dat verongelukte toen ze zeven jaar oud was. Ze begon toen met een klein stoeltje maar allengs werden de in hun windsels gevangen figuren groter in een symboliek van verstarring en dood. In totaal maakte ze er acht. Bij de laatste verdwenen de windsels en daarmee het mummie-achtige. Het werden sterk geabstraheerde, met hun stoelen vergroeide zittende figuren, die niet langer in de dwangbuis van de dood gevangen zaten. In de Lakenhal staat nu een van de laatste uit deze serie. Bloei heet dit brons uit 1981. Voor zover dat ooit mogelijk is, was het verdriet verwerkt.

De reeks was een voorbeeld van wat veel meer van haar werk kenmerkt: het streven naar een synthese van figuratie en abstractie, met de zeggingskracht van het archetype. De beelden zoeken aansluiting bij wat in ons onderbewuste aan gemeenschappelijke symbolen zou leven: uit een ver verleden aan ons doorgegeven angsten en extases. De mummiereeks kan ook gezien worden als een loskomen uit de onbeweeglijkheid van de dood met als eindpunt de verlossing in het beeld Bloei.

Stroompjes

Maja van Hall beweert niet gebonden te zijn aan enigerlei stijl. Er kan dus ook geen sprake zijn van stijlbreuken. Wel van veranderingen: “Je wilt jezelf niet gaan vervelen.” Veranderingen ontstaan door de schommelingen van het leven zelf, wat je leest, meemaakt, ziet en hoort: “Mijn werk is mijn biografie. Wat me steeds bezighoudt, is wat er in een hoofd gebeurt, hoe de ene associatie tot de andere leidt. Dat moet meer en iets anders zijn dan een kwestie van elektrische stroompjes, chemische reacties of neuronen.”

Ze wijst in een recent over haar verschenen boek de foto aan van het beeld Gedachten. Het is een ruw ovaal-rond brons met een ingewikkeld patroon van groeven, krassen en kerven. Inderdaad doet het denken aan een hersenpan, maar het is toch meer dan dat: een symbool van hoe dode dingen door de sporen van menselijk gebruik bezield kunnen worden. Dat werd haar vooral duidelijk toen ze lang na 1992, toen Gedachten was ontstaan, op een reis in de Sahara een steen vond die ook geadeld was door de sporen van vroeger gebruik. Waarschijnlijk was het een maalsteen geweest of een steen waarop pigmenten werden gemengd. De steen vergezelt haar nu in haar werkvertrekken. Ze legt hem bij voorkeur op de verwarming: “Ik vind het prettig dat die steen net zo warm is als toen ik hem oppakte.”

De steen fungeert ook als een punt van onderbreking: “Als ik te gecompliceerd bezig ben, brengt een blik op de steen me weer terug tot de kern.”

In het boek over Maja van Hall is een reeks 'statements' door de tekst gestrooid. Een ervan zegt dat haar werk altijd een gevecht is, een roes, het aangaan zelfs van een grote liefde. Die passie, vervolgt de stelling, is noodzakelijk maar ook gevaarlijk.

Desgevraagd licht ze een en ander toe. Het begin van een beeld is altijd het resultaat van een hartstocht die niet toestaat dat er nog iets anders bestaat. “Maar als ik zo ongeveer halverwege ben, als het beeld zoals ik het voor me zag zijn vorm gevonden heeft, dreig ik mijn interesse te verliezen. De passie is op. Wat nog volgt, wat nog volgen móet, is ambachtelijk, schaven en schuren, afwerken. Dan is het moment voorbij dat de concentratie zo hevig is, dat ik bereid ben alle wetten te breken; dat ik me zo laat meeslepen dat ik dingen dreig te doen die technisch niet houdbaar zijn.”

Dat is het gevaar van passie, dat het kritisch kijken en afstandelijk beoordelen in de weg staat.

Maja van Hall werkt graag in gips en weet dan het gevaarlijke omslagpunt te omzeilen door haar werk met felle pigmenten een kleur te geven. “Je roept jezelf er mee tot de orde. Je ziet wat wel en wat niet goed is. Of je besluit dat het beeld klaar is, met kleur en al.”

Een voorbeeld staat in het Noordwijkse atelier. Het is een teer, figuratief portretje van een Afrikaans meisje, dat klaar bleek te zijn toen het met rode pigment was bewerkt.

Zoals gezegd is er in haar oeuvre een reeks veranderingen aan te wijzen. Het is niet zozeer een ontwikkeling, als wel een opeenvolging van opvattingen, van mogelijkheden, van grenzen die worden onderzocht. Een vorm wordt verlaten en kan veel later ergens anders weer terugkeren in perioden van figuratie, half-figuratie, half-abstractie, soms ook abstractie.

Als iets haar te gemakkelijk geworden is, haar te goed af gaat, is het tijd voor een verandering. Het is een ritueel dat tamelijk ver gaat. Toen in een allang door haar gebruikt atelier een gevoel van geborgenheid ontstond, was dat het signaal voor ingrijpende verandering: “Het was er te gezellig, dat werkt luiheid in de hand.” Ze vond dat ze er al te graag heenging, de verleiding werd te groot om met haar oude vormen door te gaan. Ze verliet het atelier en betrok een grote, lege loods in de vlakte van een naburig bollenveld. Alles, vond ze, moest weg, alles moest opnieuw worden begonnen.

Container

In het huis-atelier in Noordwijk hangt als een voorbeeld voor een nieuw begin van iets, een geheel van vierkante, handgeschepte stukken papier aan de wand. Ze zijn allemaal met felle, directe pigmentkleuren bewerkt. In enkele van de vierkanten zijn de contouren van beeldontwerpen aangebracht. Het gaat ook mee naar Spanje als het begin van een project waarvan ze de uitkomst niet weet. Het idee moet, in die andere omgeving van Regencós, rijpen.

Er gaat veel meer mee naar Spanje, een auto vol met van alles, emmertjes pigment, tekeningen, oude rommel: “Ik kan geen straat door waar een container staat.”

Het tekenen speelt op het ogenblik in haar werk een belangrijke rol. Voorbereidende schetsen voor beelden, maar ook zomaar tekeningen om 'mijn gedachten te sorteren', zelfs 'om mijn hoofd leeg te maken.' Ze beschouwt haar tekeningen als de etudes voor een musicus: “Met houtskool kan ik direct noteren wat ik niet wil vergeten.”

Tekenen, zegt ze, komt uit een andere emotie voort dan beeldhouwen: “Ik hoop dat de tekeningen mijn beelden in een ander licht plaatsen.”

Vroeger exposeerde ze vaak met schilders, tegenwoordig laat ze bij haar beelden liever haar eigen tekeningen en gouaches zien. Een van de meest ontroerende tekeningen in haar huis is een uitgewerkte versie van een in haar kinderjaren gemaakte krabbel. In de oorlog was zij een kleuter in een gezin dat bij het verzet betrokken was. Van jongs af aan werd haar dan ook ingeprent dat ze nooit een gesprek met andere mensen mocht aangaan. Zeker aan vreemde mensen mocht ze nooit iets vertellen.

Na de bevrijding vond ze in het ouderlijk huis een stukje bruin papier met daarop een van haar eigen kindertekeningen: een step, van bovenaf gezien. Het gebogen stuur eindigde in wat een paar ogen zouden kunnen zijn, terwijl de step zelf op een neus leek. Daaronder was een zwarte vlek, die als een stijf gesloten mond geïnterpreteerd zou kunnen worden. Het geheel werd aan weerszijden begrensd door twee dennenboompjes. De tekening was een soort rebus.

In die geest heeft Maja van Hall de tekening in het groot uitgewerkt tot een bijna monumentale schets van een bang kind.

In de Leidse Lakenhal exposeert zij enkele beelden op een groepstentoonstelling die hoofdzakelijk wordt bepaald door het werk van Charlotte van Pallandt met wie Maja van Hall zeer bevriend is geweest: “Wij spraken heel voorzichtig over elkaars werk. Het ging niet zozeer om technieken maar veel meer over de bronnen waaruit ons werk voortkwam. Over waarom we eigenlijk deden wat we deden.”