Een goede koffer lekt niet

LA GUARDIA AIRPORT. Ruim een jaar geleden investeerde ik in een forellenkwekerijtje in Bolivia. Je kan tenslotte niet eeuwig blijven schrijven. Forellen zouden wel eens de toekomst kunnen hebben, dacht ik, vooral gerookte forellen.

Nu wilde ik kijken hoe het zat met die forellen. Of ze zich al flink hadden voortgeplant en of men misschien al begonnen was met het roken van de eerste lichting.

Door een ongeluk op de snelweg miste ik het vliegtuig. Een behulpzame stewardess rende nog wel met twee van mijn tassen naar de gate, en ik rende achter haar aan, maar het mocht niet baten.

“Was het vakantie?” wilde ze weten, want er ging maar één vliegtuig per dag naar deze zeldzame bestemming, en het vliegtuig van de volgende dag zat al helemaal vol.

“Zakelijk”, zei ik, “ik heb geïnvesteerd in een forellenkwekerijtje, een jaar geleden, ze hebben me wel een foto gestuurd van een forel, maar dat zegt natuurlijk niets.”

“Heb je er veel in geïnvesteerd?” informeerde ze, terwijl ze nog altijd met twee van mijn tassen zeulde.

“Nou”, zei ik, “dat valt mee, met geld is het net als met mensen. Het kan zich vermeerderen, het kan zich verminderen, en het kan ook compleet verdwijnen. Hoe meer je ervan houdt, hoe groter de kans dat het compleet verdwijnt.”

Ze vroeg of ze een hotel voor me moest regelen.

Ik verzweeg dat ik een woning had in Manhattan en ze gaf me een bon voor een hotel op het vliegveld.

“Veel succes met de forellen”, zei ze nog. “Ik hoop dat je geld zich vermeerdert.”

“Dat hoop ik ook, want als het niet te koop is, is het wel te huur, en ik beschik over relatief weinig ruilmiddelen.”

Zo stel ik me geluk voor: als een hotelkamer die je eigenlijk niet kunt betalen. Een suite op de zeventiende verdieping. Maar laat op de avond besluit je toch maar die suite te nemen, voor één nacht, omdat je wil weten wat geluk nou eigenlijk is. Middenin de nacht word je wakker en je denkt, nu ik hier toch ben, moet ik het er ook van nemen. En je gooit alles kapot. De inhoud van de minibar, de minibar zelf, schilderijen, vazen, asbakken, meubilair uit de jaren zeventig, koffiezetapparaten. En bij ieder stuk dat aan diggelen valt roep je, “zet het maar op de rekening”. En als alles achter de rug is ga je slapen. Ja, zo stel ik me geluk voor.

Ik ging natuurlijk niet meteen naar huis, noch wisselde ik mijn bon in voor een hotel voor twee nachten op het vliegveld. Ik nam mijn intrek in een van die vliegveldbars waar ik de afgelopen maanden zo vaak had vertoefd. En als ik thuis ben pak ik mijn koffers nauwelijks uit. Gezellig is het niet, maar er komt toch niemand op bezoek en mij maakt het niets uit, ik houd wel van koffers, vooral op wieltjes. En als de wc verstopt is kan je ook kotsen in koffers. En als het vol is, doe je ze dicht, zet ze bij de vuilnis en dan ben je ervan af. Een goede koffer gaat niet lekken.

Uit mijn binnenzak haalde ik nog eens de foto van de forel die ze me hadden opgestuurd, en ik legde hem voor me, denkend aan mijn forellenkwekerijtje en rijkdom die een hoop goed zou maken.

“Familie”, wilde een man weten die al minstens twee uur zijn vliegticket bestudeerde.

“Nee, nee”, zei ik, “een van mijn forellen.”

Ik vertelde hem het hele verhaal.

“Jij bent belazerd”, zei hij, “ik ben belazerd, maar jij bent ook belazerd.”

En toen legde hij een foto van een bruid op de bar, en zo lagen de foto's van zijn bruid en mijn forel broederlijk naast elkaar.

De datum voor het huwelijk stond al vast en toen had ze de benen genomen. Het was een bruid uit een blaadje.

“Heb je nog meer foto's bij je?”

Ik schudde mijn hoofd.

Maar hij had wel foto's bij zich en allemaal van dezelfde bruid.

Ik dacht aan mijn uitgever die had geschreven: 'ik denk dat je publiek zit te wachten op een roman. Laten we daarom voorrang geven aan de roman.'

Zouden er behalve mensen die op vliegtuigen wachten ook mensen zijn die op romans wachten? Arme mensen. Dan mijn publiek. Ik probeerde me er een voorstelling van te maken, maar het lukte niet, ik zag alleen die man met zijn bruid uit een blaadje.

Eerst schrijf je en je hoopt dat ze het begrijpen. Later schrijf je en je hoopt dat ze het lezen. Vervolgens schrijf je en je hoopt dat ze het drukken. Daarna schrijf je en je hoopt dat ze je betalen. Uiteindelijk schrijf je zoals mensen roken. Omdat je van het typen houdt en van de illusies die dat met zich meebrengt.

“God wat wordt het stil”, zei ik.

“Ja”, zei mijn nieuwe vriend, terwijl hij zijn foto's sorteerde, “altijd om deze tijd.”

En ik begreep dat hij al een paar dagen geleden voor zichzelf een gemoedelijk plekje op deze luchthaven had gevonden.

Toen de vliegveldbar ging sluiten sjokte hij met zijn bagagekarretje naar een bankje en begon weer zijn ticket te bestuderen. Deze man las kranten noch boeken, het enige dat hij las was een vliegticket en ook nog steeds hetzelfde.

“Is het spannend”, wilde ik vragen, maar vond dat een beetje flauw en vroeg toen maar: “is er iets mis?”

“Ik word er wel wijs uit”, mompelde hij, “laat mij maar.”

Een schoonmaakploeg begon de vertrekhal te boenen. Ik vond vliegvelden steeds mooier worden.

Uiteindelijk nam ik afscheid van hem. Hij zag me nauwelijks meer staan, ging helemaal op in zijn ticket.

Ik dacht weer aan een roman waaraan voorrang werd gegeven, zoals in het verkeer voorrang wordt gegeven aan ziekenwagens die stervenden vervoeren. Wat mensen mij ook schreven, of het nu was dat ze van me hielden, of dat ze me haatten, de inhoud deerde me nauwelijks, zolang het maar goed geformuleerd was. Misschien een beroepsdeformatie. Zolang de brief maar voor één seconde de illusie wekte dat hij niet al standaard ergens in een computer zat, maar dat hij speciaal voor mij was geschreven.

Wie mensen zijn wil ik niet weten, liever niet zelfs, het zou al te pijnlijk kunnen zijn, maar de act die ze voor elkaar opvoeren die interesseert me en die moet wel een beetje goed zijn. Al in 1926 schreef Kurt Tucholsky: 'de inhoud is ons in het graf gevolgd. De vorm was alles.'

Geluk was deze avond een hotel dat ik wél kon betalen. Beter gezegd, een hotel dat American Airlines voor mij betaalde. Een televisie in een hoek met op het scherm, 'welcome mr. Grunberg'. Een daaronder een opsomming van faciliteiten waarvan ik kon genieten. Alles leek hier op porno, zelfs het schilderijtje aan de muur, een stilleven van een fruitmand. Ik verliet de hotelkamer. Te weinig geluk, te veel hotelkamer. In de vertrekhal zat mijn vriend nog altijd over zijn ticket gebogen.

De helft van mijn leven was lafheid geweest, maar dat was nog een aardige score, want het kon erger, wist ik uit de levens van mensen om mij heen.

Ik nam een taxi naar huis.

Gek om thuis te komen terwijl iedereen denkt dat je er niet bent.

In de klerenkast zocht ik naar een fris laken. Nog even keek ik om me heen, bevreesd dat mijn publiek misschien over mijn schouder zou kunnen meekijken wat ik daar allemaal in die klerenkast ging uitspoken.

Maar gelukkig, er was geen publiek.

Het publiek zat thuis en wachtte op een roman.