Directeur kunstopleiding: 'Beeldende kunst is niet het zwakke broertje van architectuur'; Ateliers voor het eerst geopend voor publiek

Ateliers, de post-academische beeldende-kunstopleiding in Amsterdam, staat bekend als een 'calvinistische school'. Ten onrechte, vindt directeur Dominic van den Boogerd. Vandaag opent Ateliers met de tentoonstelling 'Morning Glory' voor het eerst de deuren voor niet-studenten en -docenten.

Morning Glory: de Ateliers 1993-1997. Met o.a. Rosemin Hendriks, Thomas Houseago, Sands Murray, Maria Pask, David Powell, Avery Preesman, Lara Schnitger. Stadhouderskade 86, Amsterdam. Dag 12-18u. T/m 20 september.

AMSTERDAM, 4 SEPT. Een paar jaar geleden verscheen er in verschillende kunstbladen een foto van een groepje monniken, schuifelend door een lange kloostergang. Het was de illustratie bij een advertentie van de Ateliers, het kunstenaars-instituut in Amsterdam, dat wegens zijn geslotenheid al jaren wordt vergeleken met een klooster. “Die advertentie was een grap”, zegt directeur Dominic van den Boogerd (1959) nu. “We wilden ironisch commentaar geven op het vooroordeel dat het hier een bastion zou zijn waar allerlei geheimzinnige dingen gebeuren.”

Niet dat de advertentie veel hielp - ook omdat het instituut er verder weinig aan deed om toegankelijker te worden. Neem de locatie: sinds vier jaar zijn de Ateliers gevestigd in de voormalige Rijksacademie, een monumentaal gebouw aan de Amsterdamse Stadhouderskade, vergrendeld met een zware metalen deur, die slechts opengaat voor Ateliers-studenten en -docenten. Belangstellenden, in het bijzonder galeriehouders en museummedewerkers, zijn niet welkom.

Bovendien staat het instituut bekend als vertegenwoordiger van de 'calvinistische school' in de kunst, de traditie sobere vaak minimalistische kunst van Mondriaan, Dekkers en Schoonhoven waarin ook het late werk van Ateliers-docent van het eerste uur Edgar Fernhout thuishoort. Zijn geest leek, tegen de stroom in, op de Ateliers in leven te worden gehouden door kunstenaars als Ben Akkerman, Jan Dibbets, Marien Schouten en Toon Verhoef die stuk voor stuk als docent aan het instituut waren of zijn verbonden.

Gezien die reputatie is het dan ook een zwaar symbolische geste dat vandaag voor het eerst de deuren van de Ateliers openzwaaien voor publiek: twee weken lang zal in het gebouw de tentoonstelling Morning Glory te zien zijn, een presentatie van veertien kunstenaars die de afgelopen vier jaar aan de Ateliers hebben gestudeerd. “Na zes jaar renoveren is het gebouw eindelijk zoals we dat willen” aldus Van den Boogerd. “Bovendien willen we definitief laten zien dat hier niks geheimzinnigs gebeurd. Er wordt hier gewoon gewerkt door jonge kunstenaars. Die praten, werken, drinken en hebben de radio hard aan - net als iedereen.”

En passant wordt op Morning Glory echter ook afgerekend met het imago dat Ateliers-kunst calvinistisch en rechtlijnig zou zijn. Er exposeren weliswaar nog steeds veel schilders op Morning Glory (“We hebben nu eenmaal een traditie van goede schilders”, aldus Van den Boogerd), maar net als onder hun generatiegenoten lijkt ook onder hen de geest van de figuratie te hebben toegeslagen. Matthew Monahan komt met indrukwekkende, soms aan tribal-art herinnerende mansportretten; Michael Kirkham komt met dromerige maar ook benauwde doeken en Robert Zandvliet schildert tegenwoordig sfeervolle landschappen die doen denken aan het werk van Hercules Seghers. Maar ook de andere kunstvormen zijn in toenemende mate vertegenwoordigd: op Morning Glory zijn diverse video's en installaties te zien.

Volgens directeur Van den Boogerd is er echter weinig opmerkelijks aan die 'ommezwaai'. “Wij hebben nooit een dictaat van de schilderkunst willen uitvaardigen. Het enige waar het voor ons om draait is dat jonge kunstenaars de kans krijgen iets uit te proberen, in een omgeving waar iedereen echt gelooft in kunst. Er heerst op dit moment nogal het idee dat de beeldende kunst het zwakke broertje van architectuur en design is, en dat willen wij bestrijden. Wij bieden jonge kunstenaars de gelegenheid de kunst te ondervragen en uit te dagen - vervolgens moeten ze zelf maar zien hoe ze dat aanpakken.”

Jaarljks worden er op de Ateliers ongeveer tien nieuwe studenten uit binnen- en buitenland toegelaten, die ieder een eigen ruimte krijgen en een beurs waarvan ze twee jaar kunnen leven en werken. De docenten komen alleen op dinsdag langs: ieder voor zich trekken ze dan langs de ateliers, bekijken het werk, praten met studenten en geven kritiek. “Voor de studenten is dat soms hard” aldus Van den Boogerd. “Op één dag krijgen ze wel vier, vijf uitgesproken meningen te horen - op het eind tolt álles in hun hoofd. En dat is ook de bedoeling: het dwingt ze om na te denken over wat ze zélf willen. Dat is ook de reden waarom we hier geen galeriehouders of museummensen willen: de kunstenaars moeten uitvinden wat voor henzelf het beste is, niet voor de markt of de kritiek.”

Ondertussen is Van den Boogerd zelf waarschijnlijk de duidelijkste representant van de veranderingen op de Ateliers. Tot zijn aanstelling werkte hij als kunstcriticus en redacteur van het kunstttijdschrift Metropolis M; op de Ateliers had hij alleen wat gastlessen gegeven. “Ik werd op op een avond gebeld door Rudi Fuchs, de voorzitter van het bestuur” grinnikt Van den Boogerd. “Die zei: 'Wij hebben besloten dat jij de nieuwe directeur van de Ateliers wordt' - 'wij hebben besloten', dat is tekenend voor de zelfverzekerdheid binnen de Ateliers.” Al eerder was binnen het bestuur al afgesproken dat de 'harde kern' van het instituut, directeur/criticus Marcel Vos en de kunstenaars Jan Dibbets ('de Johan Cruijff van het kunstonderwijs' aldus Van den Boogerd) Toon Verhoef en Carel Visser plaats zouden gaan maken voor een jongere generatie. Aan Van den Boogerd de taak te zorgen voor de opvolging. Hij nodigde een groot aantal kunstenaars, waaronder Sarah Lucas, Joep van Lieshout en Thomas Schütte uit om eens een gastles te komen geven en te kijken of ze op de Ateliers konden 'aarden'. Nu, drie jaar later, zijn Akkerman, Brouwn en Visser vertrokken en houdt Dibbets er deze zomer mee op; hun plaatsen zijn ingenomen door Willem Oorebeek, Rob Birza, Marlene Dumas en de Belgische beeldhouwer Didier Vermeiren.

Net als zijn voorgangers gaat ook Van den Boogerd er prat op dat de 'spartaanse' vorm van lesgeven zoals de Ateliers die praktiseert ook op het instituut is uitgevonden. Het steekt dan ook enigszins dat concurrerende post-academische opleidingen als de Rijksacademie in Amsterdam en de Jan van Eyck-academie in Maastricht met succes 'op het Ateliers-recept variëren'. “Ach, die rivaliteit met de Rijksacademie is een beetje folklore”, relativeert Van den Boogerd, “zoiets als Ajax-Feyenoord. De Rijksacademie is tegenwoordig vooral een artists in residence program. Zij geven vooral les aan oudere kunstenaars, die meestal al hebben geëxposeerd. Het vervelende van die versnippering onder academies is wel dat het schaarse talent dat er in Nederland rondloopt nauwelijks met elkaar geconfronteerd wordt, terwijl dat de allerbeste manier is om jonge mensen tot grote hoogten te stuwen. Wij hebben altijd al gezegd: 'als er één goede post-academische opleiding komt, waar volgens onze methode gewerkt wordt, dan zijn wij onmiddellijk bereid onszelf op te heffen'. Maar daar hebben we nog nooit iets op gehoord.”