De Jeugdbond voor Natuurstudie; Gideonsbende in de duinen

Marga Coesèl: De NJN, een gemeenschap van individualisten. De geschiedenis van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie. Opulus Press (1997), 221 blz. ƒ 37,50

Er bestaan weinig afkortingen die zulke verschillende reacties oproepen als de simpele letters NJN. De meeste mensen zegt de afkorting niets, maar als de letters herkend worden is de reactie vrijwel altijd uitbundig: 'Wat, ben jij ook lid geweest?' De rest van het gesprek kan er vanzelfsprekend getutoyeerd worden. Oud-NJNers vormen een geheim genootschap, 'een mafia' zeggen buitenstaanders.

NJN staat voor Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie en het is de oudste ongeleide jeugbeweging die in Nederland bestaat. Ongeleid of 'vrij' wil zeggen een jeugdvereniging die niet van bovenaf georganiseerd wordt door ouderen. Leden, hoe verdienstelijk ook, die eenmaal ouder dan 23 jaar zijn geworden, moeten vertrekken; daarboven is men 'oude sok'.

NJN-ers houden zich bezig met de natuur - niet met het milieu, niet met actievoeren, maar met de natuur zelf. Ze trekken er in het weekend op uit met verrekijkers, lieslaarzen, schepnetten, flora's en streeplijsten, ze gaan 'op excursie'. Dat doen ze in kleine groepjes met leden van de 'afdeling' - er zijn zo'n vijftig afdelingen verdeeld over het land, met het zwaartepunt boven de Moerdijk. Daarnaast zijn er landelijke kampen, met Pasen, Pinksteren en in de zomervakantie (paka, pika, zoka), terwijl tussen kerst en nieuwjaar 'het congres' gehouden wordt. Het ledental van de NJN schommelt sedert mensenheugenis rond de duizend, met als enige uitzondering de naoorlogse jaren toen het ledental tijdelijk veel hoger was. Maar daarover straks.

De NJN is altijd de Gideonsbende van de natuurbeweging geweest. Geen betere leerschool in het determineren van planten, insekten, schelpen, wieren, waterbeesten, muizen en vogels dan van jongs af aan op excursie met andere natuurgekken. Veel NJN-ers zijn later bioloog geworden of blijven als KNNV-er (Koninklijke Natuurhistorische Vereniging) hun leven lang aan de natuur verslingerd. Anderen herinneren zich de NJN vooral als een leuke tijd, waarin ze veel gediscussieerd en vooral gelachen hebben. Enkele bekende namen: schrijver-bioloog Dick Hillenius, plantengeograaf professor Victor Westhoff, ex-commisarissen der koningin Roel de Wit en Henk Vonhoff, Nobelprijswinnaar Niko Tinbergen, beroepscommunist Wim Klinkenberg, schrijver-programmamaker Midas Dekkers, museumdirecteur Rudi Fuchs, voormalig SER-voorzitter Theo Quené,filmer Bert Haanstra, PSP'er Bram van der Lek en historicus professor Ger Harmsen. Een onconventioneel ingesteld groepje mensen, eigenwijze individualisten eerder, waarvan je je afvraagt wat hen met elkaar verbindt, of sterker nog, wat die in een vereniging te zoeken hadden. Het antwoord op die vraag is gelegen in het bijzondere karakter van de NJN, een karakter dat deze jeugdbond een unieke plaats geeft in de Nederlandse jeugdbeweging. Over de geschiedenis van deze bond schreef Marga Coesèl De NJN, een gemeenschap van individualisten, een boek dat in een leemte voorziet.

Eeuwige leven

De NJN werd in 1920 opgericht, een tijd waarin vele andere jeugdverenigingen het leven zagen. Zo waren er anarchistische, socialistische en confessionele jeugdverenigingen, kampeer- en trekkersverenigingen en jongerenverenigingen voor geheelonthouding. Met uitzondering van de padvinderij is het merendeel van deze verenigingen al lang ter ziele (JGOB, NBAS, AJC) of omgesmeed tot commerciële organisatie (Nederlandse Jeugdherbergcentrale).

Onbegrijpelijk is het daarom dat de NJN het al die jaren heeft uitgehouden en nauwelijks van karakter is veranderd. Nog steeds fietsen jongens en meisjes in het weekend de natuur in om planten en dieren te bestuderen, nog steeds worden er kampen gehouden. Op congressen discussieert men als vanouds eindeloos over de vraag of de nadruk meer op de bondsgeest of op het onderzoek moet liggen, nog immer wordt er een - bij vlagen melig en bij vlagen geniaal - bondsblad uitgegeven (Amoeba) en nog steeds wordt er geredetwist over de structuur van de bond. Op het laatste congres werd overigens een nogal ingrijpende beslissing genomen: de maximum leeftijd, die sinds de oprichting op 23 jaar lag, wordt opgetrokken tot 25.

Het geheim van het eeuwige leven van de NJN ligt niet besloten in een simpele formule. Zeker is dat er over alle generaties een klein percentage van de jeugd - Roel de Wit schatte het bij de aanbieding van dit boek kleiner dan 1 procent - meer van de natuur wil weten dan wat boekenkennis opgedaan op de middelbare school of de obligate weetjes van natuurdocumentaires op de televisie. Deze jongens en meisjes proberen aanvankelijk op eigen houtje met flora's, vogelgidsen en andere determineerwerken hun kennis te vergroten. Dat is onvermijdelijk een vrij eenzelvige aangelegenheid - de meeste natuurliefhebbers zijn dan ook nogal individualistisch ingesteld. Maar als ze het geluk hebben in contact te komen met de NJN, kunnen ze er gemeenschappelijk op uitgaan. Dat de NJN toch altijd meer is geweest dan een losse verzameling individualisten, verwoord in Coesèls paradoxale titel De NJN, een gemeenschap van individualisten, moet gezocht worden in de 'bondsgeest', die merkwaardige combinatie van tradities en lenig aanpassingsvermogen.

Het aanpassingsvermogen moet ongelofelijk groot geweest zijn en is het nog. De bond paste zich aan aan de vooroorlogse crisis temidden van vele andere jeugdbonden, aan de oorlog, aan de wederopbouwperiode, aan de provo- en protestperiode, en ten slotte aan de tijden van elektronisch jeugdamusement en verkwanseling van het landschap waarin we nu leven. Zeker is dat de aanpassing werd vergemakkelijkt doordat vrijwel ieder jaar een geheel vernieuwd bestuur het roer overnam, dat ongehinderd door kennis van eerdere activiteiten zijn eigen weg insloeg. Daarnaast kende de NJN een groot aantal ijzeren tradities en gewoonten, vaak verwoord in een eigen jargon.

Jargon

Dit jargon, dat op buitenstaanders vaak een vervreemdende zo niet afstotende werking heeft, kent wonderlijke begrippen als beerput (kampdagboek), tijgeren (terrein grondig uitkammen), hupsen (vereenvoudigd volksdansen, vaak om warm te worden), preu (vleesloze stampot), klunzen (beginnelingen) en vaklui (kenners). Hoewel op kampen NJNers zich 'ruig' kleedden en zich zelden wasten, bestond er tevens de stilzwijgende afspraak dat er geen alcohol gebruikt zou worden er geen plaats was voor amoureuze betrekkingen.

De historicus Ger Harmsen schreef in 1961 het boek Blauwe en rode jeugd over de geschiedenis van de jongerengeheelonthoudersbeweging en de socialistische jeugdbeweging. Veel NJNers namen het hem kwalijk dat hij zich tot blauw en rood beperkt had - had hij als ex-NJNer er niet beter ook de groene jeugd bij kunnen nemen? Maar Harmsen, tot op de dag van vandaag een enthousiast mossenkenner, was in de oorlog teleurgesteld geraakt in de NJN. Harmsen, die zelf de laatste oorlogsjaren door de Arbeitsinsatz in Duitsland verbleef, vond dat de bond zich actiever tegen de bezetter had moeten verweren.

In tegenstelling tot de NBAS, de andere ongeleide jeugdbond (voor geheelonthouding) die zich vrijwillig ophief, bewoog de NJN zich behoedzaam en neutraal door de oorlogsjaren. Doordat zoveel verenigingen verboden waren, zochten veel jongeren in de oorlog een toevlucht in de NJN, waardoor het ledental steeg tot de ongekende hoogte van drieduizend. Na de oorlog bleef dit ledental nog korte tijd zo hoog, maar al snel zakte het weer tot het normale peil van duizend.

Coesèl weerspreekt de mening van Harmsen dat de NJN zich in de oorlog gecompromitteerd heeft. De NJN was als organisatie nu eenmaal niet politiek van doelstelling. De oorlogsjaren waren voor de NJN al spannend genoeg. Wim Klinkenberg, de roemruchte voorzitter met wapperende zwarte haren en viool, viel het nette Natuurmonumenten buitengewoon fel aan op het beheer van de terreinen, een aanval die tot jarenlange discussies in de natuurbeweging zouleiden. Daarnaast deed zich het begin van een scheuring voor die later tot de CJN zou leiden (Christelijke Jeugdbond voor Natuurstudie).

Ook in het naoologse Nederland zag Harmsen geen rol meer weggelegd voor de NJN. In 1956 schreef hij in Folia civitatis een artikel 'Opkomst en ondergang van de vrije jeugdbeweging in Nederland', waarin hij de NJN feitelijk al had afgeschreven. Nooit had hij kunnen voorzien dat de bond, die toen 36 jaar bestond, meer dan tweemaal zo oud zou worden.

Toch is er langzamerhand wel enige reden tot zorg. Naast de NJN bewegen zich tegenwoordig allerlei andere organisaties om de jeugd tot de natuur te brengen. Naast de traumatische afsplitsing van het CJN dat enige jaren geleden is overgegaan in de Jeugdbond voor Natuur- en Milieustudie, zijn er de Rangers van het Wereldnatuurfonds en jeugdafdelingen van Natuurmonumenten en het Nivon, waarmee de NJN moet concurreren. Deze afdelingen zijn wat activiteiten betreft wel niet te vergelijken met de NJN, maar toch zuigen ze potentiële leden weg.

Ook de zelfstandigheid van de NJN is niet meer wat zij geweest is. De uitgaven van de NJN worden al lang niet meer gedekt door de contributies; ze steunen tegenwoordig voor een belangrijk deel op subsidies. Daarnaast is de administratie van het - langzamerhand in aantal afnemende - ledenbestand in handen gegeven van Natuurmonumenten. Coesèl vraagt zich in bedekte termen afof de bond, die in het jaar 2000 tachtig jaar wordt, nog wel de honderd zal halen. De verhoging van de maximum leeftijd van 23 naar 25 jaar is, naast andere redenen zoals de verlengde jeugdperiode door langere scholing, ook een poging het ledental hoog te houden.

Hoewel de NJN een jeugdbond is, heeft het onderzoek altijd op een hoog peil gestaan. Vooral tijdens de zomerkampen konden de NJNers door hun tomeloze inzet vaak bergen verzetten. Ook professionele biologen moesten vaak erkennen dat de opzet van het onderzoek origineel en de uitkomsten verrassend waren. Vaak lagen nauwgezette karteringen van plantensorten in een klein gebied aan de basis van het onderzoek, soms ook de verbreiding van bepaalde insectensoorten over het gehele land, bijvoorbeeld van libellen.

Ecologisch

De afgelopen jaren hebben de afdelingen het over de beleidsmatige boeg gegooid: de effecten van de Ecologische Hoofdstructuur werden bekeken. Vormden de corridors tussen de grote natuurgebieden werkelijk wel verbindingsroutes voor plant- en diersoorten? Nee dus, stelde de NJN vast. Het resultaat van hun bevindingen werd afgelopen zomer aan de minister van Landbouw aangeboden.

In De NJN, een gemeenschap van indidualisten is vermeden om de bond te beschrijven als een vereniging uit het verleden, als een historisch curiosum. Coesèl, opmerkelijk genoeg zelf nooit lid van de NJN geweest, houdt intens veel van dit kleine clubje eigenzinnige natuurenthousiasten. Toch hangt er, ondanks termen als 'onverminderd vitaal' en 'nog steeds actief' vagelijk een sfeer van nostalgie, van terugblik en van verloren verleden in haar boek.

Maar aan die nostaligische sfeer kan zij niets doen. De reden is dat de NJN veel meer oudleden dan leden telt. Er valt langzamerhand meer te herdenken dan te beleven. Dat blijkt uit reünies, archiveringsactiviteiten en nieuwe boeken. In 1988 verscheen Van klunzen, vaklui en oude sokken, eveneens van Marga Coesèl, in 1995, tijdens een grote reünie, de bundel NJN 75 jaar en dan nu De NJN, een gemeenschap van individualisten.

Het is vrijwel zeker niet het laatste boek over de NJN. Het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG) in Amsterdam is bezig met een project 'De wortels van de Groene Jeugdbeweging', waarin geprobeerd wordt ex-bestuurders van de NJN te achterhalen teneinde hun archiefmateriaal te verzamelen en centraal op te slaan. Later wordt dit materiaal geordend en wetenschappelijk bewerkt.

Het is te hopen dat de huidige leden van de NJN zich door al deze activiteiten van oude sokken niet uit het veld laten slaan, maar gewoon doorgaan met dauwtrappen, hupsen, het eten van preu en het afzetten van het bestuur op het wintercongres.