De ideologie van de road movie; Jong! Wild! Nergens naar toe!

Steven Cohan and Ina Rae Hark, ed.: The Road Movie Book. Routlegde, 380 blz. ƒ170,– /ƒ62,–(pbk)

Ze zijn jong, ze zijn op weg, maar nergens naartoe. Ze rijden over Amerikaanse interstate highways ('get your kicks on route 66'), Italiaanse autostrada's of Franse binnenwegen. Ze gaan niet alleen nergens naartoe, maar ze komen ook nergens vandaan. Het zijn de onthechte erfgenamen van Odysseus. Hun strijd is gestreden, maar er is nergens een Penelope die op hen wacht.

Ze zijn de hedendaagse pioneers, maar hun frontier is ergens voorbij Los Angeles in de oceaan verdronken. En toch zijn ze op zoek naar onbetreden wegen, nieuwe ervaringen en sensaties, de romantiek van het onderweg zijn. Ze zijn, onwillekeurig of welbewust, vreemdelingen in hun eigen landschap.

Zo laten de hoofdpersonen van het genre van de road movie zich omschrijven. Hun hartslag wordt bepaald door de Born to be wild-klanken uit Easy Rider (Dennis Hopper, 1969) of de minimalistische gitaarmelancholie van Ry Cooder in Paris, Texas (Wim Wenders, 1984).

Ze zijn de ultieme personificatie van Jean Baudrillards in America (1988) geformuleerde adagium voor de Amerikaanse cultuur: “Space, speed, cinema, technology.” Een compacte kreet waar de samenstellers van The Road Movie Book erg verzot op moeten zijn, want hij wordt in de meeste van de zestien bijdragen wel een keer geciteerd. Maar anders dan het gretige gebruik ervan doet vermoeden is de bundel nergens pamflettistisch. De meeste hoofdstukken - over afzonderlijke road movie klassiekers of voor het genre kenmerkende thema's als sekse, nationaliteit, klasse, ras en moraal - zijn geschreven door academisch geschoolde filmvorsers met een voorkeur voor met rock 'n' roll-Schwung geschreven filmbeschouwingen.

En hoe kan het ook anders? De road movie mag dan geworteld zijn in oer-Amerikaanse filmgenres als de western of de romantische komedies van Frank Capra, met It Happened One Night (1934) als onbetwist ijkpunt, zoals Bennet Schaber aantoont in zijn droogkomische openingsessay 'Hitler can't keep 'em that long', het genre kreeg pas z'n huidige aureool van vrijgevochtenheid, jeugdcultuur en onaantastbaarheid met Bonnie and Clyde (Arthur Penn, 1967) en Easy Rider ('Mad love, mobile homes and dysfunctional dicks' van Ian Leong, Mike Sell en Kelly Thomas en 'On the road and on the run' van Corey K. Creekmur). In de jaren zestig dus, toen outlaws en losers helden werden en Peter Fonda en Dennis Hopper, langharig en op hun Harleys iconen van de tegencultuur.

Dat de road movie geen exclusief Amerikaans genre is bewijst Angelo Restivo in 'The nation, the body and the autostrada'. Hierin ontleedt hij de films van Pier Paolo Pasolini met behulp van traditioneel aan de road movie toegeschreven kenmerken als economische expansie versus 'innere Emigration', of banaler: de vlucht voor jezelf, waarbij de versgeplaveide snelwegen er weliswaar toe dienen om nieuwe werelden te veroveren, maar vooral om op zoek te gaan naar de essentie van de dingen. (Net zoals de hippies in Easy Rider die hun tocht aanvangen op zoek naar 'het echte Amerika'). Traditionele onderscheiden in klasse, sekse en ras vallen weg 'on the road', waardoor het, aldus Restivo, voor de homoseksuele Pasolini eenvoudiger was om mannenvriendschappen buiten de burgerlijke, stedelijke context te laten zien.

Pasolini was niet de enige die de nieuw verworven seksuele vrijheid van de road movie in zijn films gebruikte. Robert Lang inventariseert in 'My own private Idaho and the new queer road movies' hoe regisseurs als Gus van Sant (My Own Private Idaho, 1991), Gregg Araki (The Living End, 1992 en The Doom Generation, 1995) en Stephan Elliott (The Adventures of Priscilla, Queen of the Desert, 1994) thema's van bi-, homo-, en transseksualiteit in hun films exploreren, zonder ooit te hoeven moraliseren of uit te leggen waarom hun personages 'zo' zijn.

Dat Russ Meyers Motorpsycho (1965) en Faster Pussycat! Kill! Kill! (1966) road movies zijn, zal niemand na het lezen van een korte synopsis van beide films verbazen. Allebei gaan ze over toevallig ook nog eens zeer rondborstige en sexy, maar vooral ruige vrouwen, die rondcrossen in de Californische woestijn en daar op hardhandige wijze wat conflicten met mannen oplossen. Ze flirten met elkaar, hebben onomwonden seks met knappe passanten of meppen ze in elkaar,net waar ze zin in hebben. Het zijn ook allebei cultfilms 'voor de liefhebber', waarvan het wat hilarisch is om ze tot inzet gemaakt te zien van Julian Stringers schoolse 'Exposing intimacy in Russ Meyer's Motorpsycho and Faster Pussycat! Kill! Kill!' Met een ernstig beroep op het 'verlangen naar intimiteit' dat uit de gewelddadige uitbarstingen van Meyers dames, en ook in bijvoorbeeld Olivers Stones Natural Born Killers (1994) zou spreken, veroordeelt hij het escapisme van de films, dat in zijn woorden ook wel als iets heel akeligs klinkt.

Daarom blijft het uiteindelijk voor dit soort bundels altijd moeilijk om de crossover van een academisch naar een publiek van filmliefhebbers te maken. Aan het verlangen tot theorievorming gaan eerst hun cinefiele angst, spanning, genot en verontwaardiging vooraf. Het is altijd goed om films in welk genre dan ook serieus te nemen. Maar voor wie in de eerste plaats in de filmproducties zelf is geïnteresseerd, is het is beter om met plezier te ontdekken dat een film een road movie (en eventueel grensoverschrijdend, amoreel, liefdevol, escapistisch of sociaal bewogen) is en daar met nog meer plezier over te schrijven (en naar te kijken), dan plechtig te bewijzen waarom dat zo is.