De houdbare riten van Prinsjesdag

De voorbereidingen voor Prinsjesdag zijn alweer begonnen. Een ritueel dat in de loop der jaren wel is veranderd, maar nooit is verschraald.

DEN HAAG, 4 SEPT. Nederlanders geven naar verluidt niet om ceremonieel en tradities - totdat wordt geprobeerd die te veranderen. Dat merkte PvdA-senator Jurgens toen hij twee jaar geleden voorstelde dat niet de koningin maar de minister-president op Prinsjesdag de troonrede zou voorlezen. Hij werd nauwelijks serieus genomen.

Twintig jaar eerder al, in 1975, heeft Kamervoorziter Anne Vondeling geprobeerd het parlement een grotere rol op Prinsjesdag te geven. “Het moment waarop en de plaats waar het Wilhelmus wordt gespeeld is hoogstongelukkig. Tijdens het spelen zitten wij er altijd als dooie pieren bij”, schreef Vondeling in een brief aan de voorzitter van de Eerste Kamer, met afschriften aan onder andere de premier en het Koninklijk Huis. De Kamervoorzitter doelde op het moment dat het staatshoofd met de Gouden Koets bij de Ridderzaal aankomt. De Marinierskapel speelt dan op het Binnenhof het Wilhelmus, maar de Kamerleden zelfs zitten al binnen en horen de muziek nauwelijks. Laat staan dat ze mee kunnen zingen.

De auteur van het boek Pracht en praal op Prinsjesdag, Thijs van Leeuwen, heeft het document opgespoord in het Koninklijk Huis Archief. Maar een inhoudelijke reactie van vorstin of premier heeft hij niet kunnen vinden. De voorstellen van Vondeling stierven volgens hem een stille dood. Prinsjesdag heeft de democratiseringsgolf van de jaren zeventig moeiteloos overleefd.

Aanpassingen aan de gang van zaken op Prinsjesdag zijn er in de loop der tijden wel geweest, zo blijkt uit het boek, maar alleen om het ritueel in stand te houden of te versterken. Zo maken sinds jaar en dag studentenweerbaarheden uit de Zuidhollandse universiteitssteden deel uit van de ere-afzettingen langs de route tussen paleis en Binnenhof. Toen prins Pieter Christiaan, de zoon van prinses Margriet, halverwege de jaren negentig commandant van de Utrechtse studentenweerbaarheid was geworden, werden ook de Utrechtenaren toegevoegd. En nu de bezuinigingen op Defensie het steeds moeilijker maken om parate eenheden voor ceremoniële taken te krijgen, wordt overwogen ook Amsterdamse studenten een rol op Prinsjesdag te geven.

Nog zo'n voorbeeld van een pragmatische verandering is de datum. De opening van de Staten-Generaal vond in het begin van de negentiende eeuw nog op de eerste maandag van november plaats. Thorbecke maakte er in zijn grondwetsherziening van 1848 de derde maandag van september van, opdat de Kamer meer tijd zou hebben om de begrotingsbehandeling voor het eind van het jaar af te ronden. Bij de grondwetsherziening van 1887 werd van de derde maandag de derde dinsdag gemaakt, omdat afgevaardigden uit ver weg gelegen provincies anders al op zondag van huis moesten. Met name vertegenwoordigers van christelijke partijen vonden dit bezwaarlijk.

De naam Prinsjesdag is al ouder dan prinsjesdag zelf. Zij dateert van de verjaardag van stadhouder Willem V (1748-1806) die door Oranjegezinden werd aangegrepen om hun aanhankelijkheid aan het vorstenhuis te tonen. Na de Franse tijd is de naam overgegaan op de toen ingevoerde jaarlijkse opening van de Staten-Generaal, waarbij de koning (en de prinsen) kon worden toegejuicht als deze de troonrede had voorgelezen. Sinds de grondwetswijziging van 1983 wordt overigens niet meer gesproken van de opening van de Staten-Generaal maar van het geven “door of namens de Koning” van een “uiteenzetting van het door de regering te voeren beleid”.

Het uiterlijk vertoon op Prinsjesdag behoort met onder andere de inhuldigingen en de koninklijke huwelijken tot de zogenoemde 'Grote Ceremoniën' die bij het ontstaan van het Koninkrijk der Nederlanden in 1815 zijn vastgelegd in een Koninklijk Besluit. Dit is, zeg maar, het draaiboek voor Prinsjesdag. Artikel 5 bevat een gedetailleerde beschrijving van de stoet die van het paleis naar het Binnenhof trekt: “a. Een Kommando Kavalerie. b. Twee Rijknechts te paard. c. De Ceremoniemeester met het teeken zijnder functie, in eene der Hofkoetsen, met twee Paarden bespannen...”

De Gouden Koets, gebouwd door de firma Spijker en in 1898 door de Amsterdamse burgerij aan de nieuwe koningin Wilhelmina geschonken, wordt pas sinds 1903 op Prinsjesdag gebruikt. De Dienst Stadsbeheer van de gemeente Den Haag strooit zand op het wegdek en legt touwen in de tramrails om uitglijden van de paarden te voorkomen. Voor het huwelijk van Beatrix en Claus in 1966 werd door de Daf-fabrieken een demontabele schijfrem voor de achteras vervaardigd. De koets, zo wil het gebruik, wordt om het jaar door paarden uit een ander deel van Nederland getrokken.

Verantwoordelijk voor de stoet is de stalmeester van de koningin, die in het dagelijks leven vanaf de koninklijke stallen aan de Hoge Wal in Den Haag al het vervoer van het koninklijk huis bestiert. Een taak die niet moet worden onderschat: de paarden bijvoorbeeld die de rijtuigen trekken lopen anderhalf keer sneller dan de militairen en moeten dus af en toe worden ingehouden.

Er zijn ook sober uitgevoerde prinsjesdagen geweest, maar dat was onder druk van de omstandigheden. In 1974 werd vrijwel al het ceremonieel afgeblazen in verband met een gijzeling in de Franse ambassade op het Korte Voorhout.

Nog soberder, maar wel vreugdevoller was die van 1945. Koningin Wilhelmina beschrijft die dag in haar autobiografie zo: “Wij gingen per auto; onze paarden waren alle gstolen en weggevoerd door de vijand. De auto werd geëscorteerd door de B.S. in donkerblauwe overall, en de onderdelen van leger, vloot en luchtmacht in de stoet droegen slechts battle-dress (de 'vechtjas'). Naar mijn oordeel de mooiste opening der Staten-Generaal die er ooit geweest is. Doch ik sta hierin vrijwel alleen.”