Dagboek van een ruimtegebruiker; Georges Perec schudt de ingedutte mens wakker

Georges Perec: Ruimten rondom. (Espèces d'espaces). Vertaald door Rokus Hofstede. De Arbeiderspers, 117 blz. ƒ 29,90.

De Franse schrijver Georges Perec (1936-1982) ging er prat op dat hij nooit twee boeken had geschreven die ook maar enigszins op elkaar leken. Hij streefde ernaar zoveel mogelijk te variëren in genre, stijl en vorm, opdat hij nooit het risico zou lopen zichzelf te herhalen. Perec vergeleek zichzelf wel met een boer, die verschillende akkers bewerkt en die met dezelfde handelingen toch steeds weer een ander gewas tot bloei brengt.

In zijn eigen werk onderscheidde Perec 'vier akkers, die corresponderen met vier verschillende manieren om de wereld te onderzoeken', zo schreef de auteur in zijn 'Notes sur ce que je cherche', opgenomen in de postume bundel artikelen Penser/classer (1985).

In de eerste plaats - de eerste akker - bestudeerde Perec, als het ware op een sociologische wijze, de vraag hoe je de dagelijkse werkelijkheid moet bekijken. Systematisch en minutieus beschreef Perec de voorwerpen en plaatsen uit zijn directe omgeving alsof hij ze voor het eerst zag. Hij inventariseerde ze en maakte er lijsten van - hoe alledaagser de dingen of de plaatsen die hij observeerde, des te intenser werd zijn blik. Op deze manier kwamen boeken als De dingen en Tentative de description de quelques lieux parisiens tot stand, maar bijvoorbeeld ook het recent vertaalde Ruimten rondom, door Perec ook wel 'het dagboek van een ruimtegebruiker' genoemd.

De tweede plaats werd ingenomen door Perecs 'autobiografische' werk, zoals W of de jeugdherinnering en Je me souviens. Geen van deze boeken heeft overigens de vorm van een klassieke, chronologisch opgebouwde levensbeschrijving, verre van dat. Toch zijn ze, op een ingewikkelde manier, vervlochten met het leven van Perec. Zijn Pools-joodse vader, vrijwillig in krijgsdienst gegaan, sneuvelde in 1940 en zijn moeder stierf in 1943 in Auschwitz, net als drie van zijn grootouders. Perec zelf overleefde de oorlog doordat zijn ouders hem op zijn vijfde jaar hadden ondergebracht op het platteland. Na 1945 werd hij door een oom en tante in Parijs in huis genomen.

Zijn leven lang heeft Perec getracht die traumatische leegte in zijn persoonlijke leven betekenis te geven; hij vulde de lege bladzijden met woorden, letters en tekens (de samenstelling van pi, hakenkruis of jodenster), waarmee hij het onuitsprekelijke vorm kon geven en kon formuleren. Schrijven was voor Perec getuigen, vermelden wie en wat er ooit was, de stilte rond de leegte doorbreken. 'Schrijven is de herinnering aan hun dood en de bevestiging van mijn leven', noteerde de auteur in W of de jeugdherinnering.

Volgens de bekende Franse autobiografie-deskundige Philippe Lejeune moeten de veelsoortige vormbeperkingen, waaraan Perec zijn teksten vaak onderwierp, in ditzelfde licht worden gezien. Perec stelde aan zijn werk dezelfde eisen, die het leven aan hem persoonlijk had gesteld. Dat betekende nadrukkelijk geen coherentie, geen overzichtelijke synthese, maar een structuur met hiaten, struikelblokken en op het eerste gezicht ondoorgrondelijke spelregels.

Het spel met de taal werd Perec vooral ingegeven door zijn lidmaatschap van de Oulipo, l'Ouvroir de la Littérature Potentielle (de werkplaats voor potentiële literatuur), in 1960 opgericht door Raymond Queneau en François Le Lionnais. De Oulipo was een soort laboratorium voor taal, met het doel 'nieuwe vormen, nieuwe structuren te zoeken die door schrijvers gebruikt konden worden op een wijze die hen zelf goeddunkte'.

Bij de indeling van zijn oeuvre kwamen boeken die Perec volgens een bepaalde Oulipo-formule had geschreven op de derde plaats. Een goed voorbeeld is La Disparition, een zogeheten 'lipogrammatische' roman, waarin geen enkele maal de letter e gebruikt wordt. Ook experimenteerde Perec graag met palindromen (zinnen die van achteren naar voren gelezen gelijkluidend zijn), anagrammen (woord gevormd door omkering van een ander), isogrammen (woord waarin iedere aanwezige letter maar één maal voor mag komen) en kruiswoordpuzzels. Voor Perec waren deze regels geen belemmering voor zijn literaire schepping, zij stimuleerden zijn fantasie. Beperking werkte bij hem bevrijdend. Het beste bewijs daarvan is wel zijn belangrijkste roman Het leven een gebruiksaanwijzing, dat volgens een gecompliceerd idee is opgebouwd en mede dankzij dit procédé een overvloed aan verhalen en handelingen bevat. Zijn verlangen 'boeken te schrijven die je in bed, plat op je buik liggend verslindt' en zijn liefde voor verhalen, personages en in elkaar hakende intriges, deelde Perec in bij het vierde en laatste deel van zijn werk.

Ruimten rondom (een mooie vondst voor de Franse titel Espèces d'espaces) mag dan door de auteur bij zijn 'sociologische' akker zijn ingedeeld, er heeft beslist kruisbestuiving plaatsgevonden met de andere. Het is een zeer leesbaar en origineel boek, waarin Perec, in alle mogelijke toonaarden en stijlen, filosofeert over de 'ruimte' en de versnipperde 'ruimten' om ons heen: 'Dit boek gaat niet over de leegte in eigenlijke zin, maar eerder over datgene wat eromheen of erin zit'. Net als bij de Russische houten poppetjes, waarbij het kleinste steeds in een grotere wordt opgeborgen, vat Perec zijn onderwerpen iedere keer in een groter geheel: van de rechthoekige blanco bladzijde naar het bed, de kamer, het appartement, het pand, de straat, de buurt, de stad, het platteland, het land, Europa, de wereld en tot slot de ruimte. Zo schept Perec, via een intrigerend kunstmatig procédé, toch eenheid in zijn veelsoortige en veelvormige 'ruimtelijke' gedachten.

Voortdurend schudt Perec in zijn boek de ingedutte mens wakker. Hij roept hem op zijn routinematige, stoffige blik te verruilen voor sprankelende inventiviteit: 'Ontcijfer een stuk stad', 'speel met maten' en 'overpeins geniale gedachten' (de hoeveelheid rundvlees die ervoor nodig zou zijn om bouillon te maken met het meer van Genève). Taalkundige spelletjes en citaten worden afgewisseld door kladbrieven, raadsels en notities over lopende projecten, zoals zijn voornemen Parijs te doorkruisen door alleen straten te volgen die beginnen met de letter C. Of het 'opmaken van een zo uitputtend mogelijke inventaris van alle Plekken waar ik geslapen heb'.

Tastbare, materiële zaken zijn vaak een langer bestaan beschoren dan mensen. Perec tracht - tegen beter weten in - greep te krijgen op het verstrijken van de tijd, maar 'de ruimte smelt als zand dat door je vingers stroomt', schrijft hij in Ruimten rondom: 'tijd voert de ruimte mee en ik hou niets dan vormeloze flarden over'. Waren er maar plekken die 'blijvend waren, onbeweeglijk, onaantastbaar, onaangeraakt, onveranderlijk en geworteld, dingen die konden dienen als referentie, zoals mijn geboorteland, de schoot van mijn familie, het huis waar ik geboren was, de boom die ik had zien groeien'. Maar zulke plekken bestaan nu eenmaal niet in het universum van Perec.