Cuba in de jaren negentig; Terugkeer van het onderdrukte

Christopher Hunt: Waiting for Fidel. Houghton Mifflin, 259 blz. ƒ 35,45

Rosalie Schwartz: Pleasure Island. Tourism & Temptation in Cuba. University of Nebraska Press, 239 blz. ƒ 140,45 (geb.)

Op de omslag van Schwartz' Pleasure Island prijkt een gestileerde foto van een dansend Cubaans paar. Cuba, jaren vijftig. Gezien hun kledij behoort het paar tot een show van een nachtclub of hotel. De schaarse kleding van de uiteraard prachtige mulata bestaat uit een soort bikini met tule, beider houding suggereert dansplezier, zoal niet wellust. Op de voorkant van het boek zien wij slechts de bovenlijven van de twee dansers; de achterflap geeft een still van hun volledige, swingende lijven vrij.

Ook de voorkant van Hunts Waiting for Fidel toont een Cubaanse, hooggehakt en langbenig. En ook hier onthult de achtergrond het volledige lichaam, terwijl de voorkant slechts een helft vrijgaf. Maar bij Hunt toont de voorkant slechts de benen, en blijft de vrouw een onbekende: zj is op de rug gefotografeerd. Minder schaars gekleed, maar uiteindelijk provocerender; haar strakke broek en topje zijn gemaakt van de Amerikaanse vlag. De suggestie is dat ze langs een weg staat te wachten. Een jinetera, 'paardrijdster', dus hoertje, wachtend op een toerist. Cuba, jaren negentig.

Zo'n negen jaar geleden vielen de Berlijnse muur en het Sovjetblok, en sindsdien is voortdurend geroepen dat Cuba nu wel snel zou volgen. De waarheid is dat Castro nog steeds in het zadel zit en dat het land allerminst afscheid heeft genomen van het communisme. Van politieke openingen is vrijwel geen sprake; de economische hervormingen zijn voorzichtig en vaak halfslachtig geweest. Een van de ingrijpendste maatregelen was de openstelling van Cuba voor het toerisme, dat inmiddels de belangrijkste deviezenbron is geworden.

De beslissing op het toerisme te wedden werd niet lichtvaardig genomen. Fidel verzuchtte meermalen dat het zeer moeilijk zou zijn toeristen binnen te halen zonder ook de uitwassen van het kapitalisme mee te krijgen. Die zorg is bewaarheid. In de kapitalistische wereld wordt Cuba verkocht als een exotische bestemming, waarbij uiteraard veel aandacht wordt besteed aan de Cubaanse muziek en dans, die inmiddels ook in Europa zijn doorgebroken. Over het heersende systeem wordt in de folders gewoonlijk slechts in enkele vage regels wat opgemerkt. Inmiddels blijven echter, tot onvrede van de Cubaanse autoriteiten en de meeste westerse reisorganisaties, de journalisten maar schrijven over de schaduwkant van het toerisme. Meer dan Che Guevara of Fidel zelf zijn de jineteras tot het cliché van het nieuwe Cuba gemaakt.

Die beeldvorming ligt op Cuba zeer gevoelig, juist omdat Castro bijna vier decennia lang het pre-revolutionaire Cuba aanmerkte als het bordeel van zijn aartsvijand, de Verenigde Staten. Toen hij de macht overnam zwoer Castro dat de excessen van het kapitalisme voorgoed waren uitgebannen. Dat hij de toeristenindustrie vrijwel direct de nek omdraaide, paste uiteraard in dit streven en hielp hem bovendien kapitalistische pottenkijkers met hun desastreuze invloed letterlijk op afstand te houden. Drie decennia later begonnen cynici hem voor de voeten te werpen dat de geschiedenis rond was, terug bij af. Opnieuw waren er de uitwassen van toerisme en seks, opnieuw beheerste de dollar de markt van liefde en seks; alleen was, ten gevolge van het Amerikaanse embargo de klantenkring nu niet Amerikaans maar afkomstig uit de rest van de kapitalistische wereld.

Hoe erg was het eigenlijk vóór de revolutie? De historica Schwartz biedt een aardig overzicht van de eerste fase van het Cubaanse toerisme, van de bescheiden start aan het einde van de negentiende eeuw tot aan de revolutie. Uit haar Pleasure Island blijkt wel dat het vrijwel onmogelijk was om, zo vlak voor de kust van de VS, het toerisme in eigen handen te houden. Amerikaans kapitaal en management, directe bemoeienis van Washington en in toenemende mate ook van de Amerikaanse onderwereld: gaandeweg werd de toeristenindustrie, die ooit was gestart door lokale ondernemers en die door de Cubaanse overheid als een belangrijke bron van inkomsten werd verwelkomd, een nieuw bruggenhoofd van het Amerikaanse informele imperialisme.

Uiteraard vergat Castro die les niet. Schwartz schreef er een informatief boek over, dat echter zelden meeslepend wordt. Dat laatste is jammer en ook wel verrassend: over de glamour en corruptie van de toeristenindustrie, de betrokkenheid van mafiosi als Al Capone, Meyer Lansky en zovele anderen zijn ongetwijfeld nog prachtige verhalen te achterhalen.

Hunt is een Amerikaanse journalist die eerder een boek schreef over zijn belevenissen als motorrijder op de Ho Chi Minh Trail. Na Vietnam nu dus Cuba, opnieuw een Amerikaanse obsessie. Het boek is kennelijk vooral gericht op een Amerikaans publiek, en daarmee maakt Hunt het zich gemakkelijk. Daar zijn landgenoten Cuba, als gevolg van het nog immer van kracht zijnde Amerikaanse embargo, niet mogen bezoeken, kan hij het eiland presenteren als een exotisch, ietwat geheimzinnig en wellicht gevaarlijk oord.

Dat levert een onderhoudend en informatief boek op, dat echter volstrekt ten onrechte de indruk wekt dat Hunts onderneming een soort riskante ontdekkingsreis is en hij, cool, een incarnatie van Jack Kerouac op Cuba. Waar Hunt de zaken zo extra spannend maakt, weten de charterladingen Europeanen en Latijns-Amerikanen wel beter. Je vliegt het land binnen, het visum is een formaliteit die voornamelijk dient om geld in het laatje te brengen, je huurt een auto of maakt gebruik van het alom gedoogde informele taxicircuit, rijdt het hele land door en niemand zal je een strobreed in de weg leggen. Of het moesten kleine criminelen zijn, die inderdaad als uitwas van het toerisme weer alom tegenwoordig zijn; de overheid heeft het er drukker mee toeristen tegen dat slag mensen te beschermen dan de buitenlanders zelf in de gaten te houden - dat geldt ook voor Hunt, al wil hij het omwille van de spanning graag iets anders doen voorkomen.

Wat niet weg neemt dat zijn boek amusante en ook informatieve lectuur vormt voor de aanwassende stroom bezoekers van een land dat voor de internationale reisorganisaties en hun clientèle steeds meer een gewoon eiland is geworden, waar toevallig een voormalige revolutionair de scepter zwaait. Die Fidel krijgt Hunt uiteraard niet te zien, anders dan op de televisie, totdat zijn Cubaanse gastheren 'de man met de baard' schielijk wegdraaien.