Bouwen voor de burgerij; Architectuur van de grote stad

Michiel Wagenaar: Stedebouw en burgerlijke vrijheid. De constrasteren carrières van zes Europese hoofdsteden. TROTH, 279 blz. ƒ 59,50.

Dictators hebben een ongewone belangstelling voor architectuur en stedenbouw. Stalin, Mussoline en Hitler hebben deze eeuw het aanzien van de hoofdsteden van hun imperia grondig veranderd. Van deze drie bemoeide Hitler zich het intensiefst met bouwkunst. Hij was dan ook eigenlijk liever architect geworden, verzuchtte hij in de laatste dagen van zijn loopbaan, toen hij in zijn bunker urenlang mijmerde bij de maquette van het nieuwe Berlijn, terwijl buiten het echte Berlijn in brand stond.

De grote werken van de drie Europese dictators van deze eeuw spelen dan ook een rol in het boek Stedebouw en burgerlijke vrijheid. De constrasterene carrières van zes Europese hoofdsteden van de sociaal geograaf Michiel Wagenaar. Duidelijkere bewijzen van het verband tussen macht en stedenbouw zijn er immers niet en ze kunnen niet ontbreken in een boek van een schrijver die wil aantonen dat de verschijningsvormen van hoofdsteden voor een belangrijk deel zijn bepaald door de staatsinrichting van de landen waarvan deze steden de hoofdstad vormt.

Toch spelen het totalitaire Moskou en Berlijn maar een kleine bijrol in Wagenaars boek. Grote bijrollen in Stedebouw en burgerlijke vrijheid zijn er voor Boedapest, Rome en Brussel, de hoofdrollen worden gespeeld door Londen, Amsterdam en vooral het negentiende-eeuwse Parijs, dat in de jaren na 1852 onder keizer Napoleon III volledig van karakter veranderde.

Onder leiding van de perfect van de Seine, baron Georges Eugène Haussmann, maakte het dichtbebouwde doolhof van het middeleeuwse Parijs plaats voor de stad met brede, rechte boulevards, omzoomd door ordelijke woongebouwen met classicistische trekken en met zicht op monumentale gebouwen als operahuizen en triomfbogen. Uiteraard en zeer leesbaar beschrijft Wagenaar hoe het nieuwe Parijs tot stand kwam. Haussmanns ingenieuze financiering van zijn grootscheepse plannen, zijn bemoeienissen met de kleine details, de sociale gevolgen van de vernietiging van oude buurten - alles komt aan de orde in Stedebouw en burgerlijke vrijheid.

Haussmanns nieuwe Parijs oogstte veel bewondering in het buitenland en werd het voorbeeld van de 'representatieve staadsstad', zoals Wagenaar het noemt. Toch werd het Parijse voorbeeld niet overal gevolgd. Brussel, Boedapest en Rome kregen duidelijke Haussmanniaanse trekken, maar Amsterdam en Londen kenden in de tweede helft van de negentiende eeuw slechts een enkele doorbraak en bleven, elk op zijn eigen wijze, 'pittoreske' steden waar de variatie en veelheid van stijlen heersten.

Wagenaar geeft een politiek-economische verklaring voor dit verschil. Brussel, Boedapest en Rome waren de snel groeiende hoofdsteden van nieuwe naties, waarvan de regimes, al dan niet gesteund door een krachtige koning, streefden naar 'representatieve staadssteden'. Ook Amsterdam en vooral Londen groeiden snel in de tweede helft van de negentiende eeuw, maar zij waren de hoofdsteden van oude staten die, meer dan de nieuwe naties, werden beheerst door een burgerlijk-liberale traditie.

Hoe groter de burgerlijke vrijheid die de staat toestaat, hoe minder de hoofdstad van een natie lijkt op het Parijs van Haussmann, zo zou de belangrijkste stelling van Wagenaar kunnen worden samengevat. In Amsterdam en Londen ontbrak het aan machtige bestuurders die het aanzien van de stad wilden en konden veranderen: hier werd de stedenbouw hoofdzakelijk overgelaten aan de vrije markt. Amsterdam was bovendien wel de hoofdstad van Nederland, maar zowel de regering als de koning verbleven in de hofstad Den Haag.

Wagenaar verklaart niet alleen de vorm van de zes hoofdsteden uit de aard van de regimes, maar gaat nog verder. Ook de verschillende woonculturen in Nederland, Engeland en Frankrijk voert hij terug op de 'politiek-bestuurlijke contrasten' in de verschillende landen. Frankrijk werd centralisch bestuurd en dus kreeg de hoofdstad daar ruim baan, compleet met een grootstedelijke wooncultuur waarin het platteland als iets achterlijks werd beschouwd. Engeland kende daarentegen niet zo'n centralistisch bestuur en dus werd er veel minder belang gehecht aan Londen als hoofdstad. Hier werd wonen op het onbedorven platteland juist het ideaal, dat in de eindeloze voorsteden werd benaderd door ze vol te bouwen met door tuinen omgeven huisjes.

Wagenaars selectie van hoofdsteden laat een overtuigend verband zien tussen stedenbouw en politiek-economische verhoudingen. Maar tegelijk schuilt in deze selectie ook de zwakte van het boek. Het negentiende- eeuwse Wenen Berlijn hadden als hoofdsteden van Europese grootmachten in Wagenaars boek natuurlijk niet mogen ontbreken. De reden van hun afwezigheid is duidelijk: ze zijn een weerlegging van Wagenaars belangrijkste stelling.

Ook Wenen en Berlijn groeiden snel in de tweede helft van de negentiende eeuw, maar geen van beide kreeg Haussmanniaanse trekken. Berlijn, de hoofdstad van het nieuwe Duitsland van keizer Wilhelm I en Bismarck, werd toen een stad van 'Mietkasernes' en Wenen, het centrum van het laatste echt autocratische regime in Europa, kreeg op de voormalige bolwerken zijn beroemde Ringstrasse, maar kende in het oude centrum verder weinig doorbraken. De negentiende-eeuwse ontwikkeling van beide steden laat zien dat het verband tussen krachtige regimes en 'representatieve staatssteden' minder eenduidig is dan Wagenaar met zijn selectie van steden heeft willen bewijzen.