Toekomst; De virtuele bibliotheek

Het Internet is geen bedreiging voor bibliotheken. Maar zij moeten zich wel anders organiseren.

OVER TIEN JAAR zullen de academische bibliotheken er niet heel anders uitzien dan nu. Dat wil zeggen: fysiek niet. Maar virtueel zullen sommige tot de grond toe zijn afgebroken. Er zijn in de wereld van de universitaire bibliotheken de komende jaren grote veranderingen te verwachten: het verzamelbeleid zal worden aangepast, de taken veranderen en er komen nieuwe diensten bij. Maar wat we vooral zullen zien, zijn veel fusies. Virtuele megafusies.

Er wordt in bibliotheekland hard nagedacht over de toekomst. In 1996 en 1997 werden er congressen gehouden over de 'Bibliotheek van de toekomst' en ook in vakbladen wordt er regelmatig over geschreven. Opmerkelijk is dat men daarbij soms een verdedigende toon aanslaat. Sommige bibliothecarissen benadrukken terloops dat de bibliotheek ook straks nog bestaansrecht heeft. Alsof iemand daaraan zou twijfelen!

Het zal weinigen verrassen dat die verdedigende houding wordt ingegeven door de stormachtige ontwikkelingen op Internet. De bibliotheek is niet meer de eerst aangewezen plaats om naar informatie te zoeken. Ook iemand die klein woont, kan tientallen meters gespecialiseerde naslagwerken in huis hebben - op een paar cd-rommetjes. Steeds meer vakbladen staan ook op Internet en de algemene verwachting is dat ze straks alleen nog in digitale vorm zullen verschijnen. Wetenschappers zullen daar even aan moeten wennen - geen overdrukjes meer voor de collega's - maar het digitale vakblad begint al steeds gewoner te worden.

Nog belangrijker is dat je allang niet meer de deur uit hoeft om te kijken wat een bibliotheek bezit. Via de Nederlandse Centrale Catalogus (NCC) kun je bijvoorbeeld de bibliografische gegevens en de vindplaatsen van circa 12 miljoen boeken en bijna 500.000 tijdschriften in meer dan 400 bibliotheken in Nederland achterhalen. In de Library of Congress heb je digitaal toegang tot zo'n zestig miljoen titelbeschrijvingen. Daar bot gevangen? Kijk nog even in de Biblioth`eque Nationale de France in Parijs of in de British Library in Londen. En controleer ook even wat er in de database van Amazon.com staat, want ook die kan uitstekend dienst doen als bibliografisch hulpmiddel.

Er zijn, kortom, via Internet honderden miljoenen boektitels en artikelen te vinden in duizenden bibliotheken. Geen wonder dus dat ze zich in de zwaar gesubsidieerde wereld van de bibliotheek een beetje zorgen maken. Ten onrechte, want bibliotheken zullen altijd veel meer te bieden hebben dan Internet. Ook in de verre toekomst. Je hoeft geen Nostradamus te heten om dat te kunnen voorspellen. Het is financieel namelijk nooit of te nimmer op te brengen om alle oude boeken, tijdschriften, kranten en pamfletten te digitaliseren. Wie neemt het bijvoorbeeld ooit op zich tweehonderd jaargangen van The Times digitaal te ontsluiten? Of alle socialistische pamfletten uit de hele wereld? Niemand.

Natuurlijk verschijnen er steeds meer oude boeken op Internet, vooral klassiekers waarvan het auteursrecht is verlopen, maar het zal altijd een druppel op een gloeiende plaat blijven. De grote bulk staat in de bibliotheken. Die zijn ook nog lang niet klaar met de digitale beschrijving van hun bezit. Steeds meer studenten denken dat een boek niet bestaat of niet in Nederland aanwezig is als het niet in de NCC staat. Maar van alle boeken die tussen 1800 en 1970 in Nederland zijn verschenen, is nog maar een klein deel in de computer ingevoerd. Er komen dus uit het hele Nederlandse taalgebied nog miljoenen publicaties bij die je nu alleen nog via kaartenbakken op het spoor kunt komen.

Bibliotheken hebben nu een aantal hoofdtaken. Ze selecteren, slaan op, bieden diensten en ondersteuning aan. J.S. Mackenzie Owen, sinds kort hoogleraar documentaire informatiewetenschap in Amsterdam, deed vorig jaar in een vakblad uit de doeken hoe dit zal gaan veranderen. Selectie blijft belangrijk, schrijft hij, maar het gaat niet meer om het kiezen van werken die onderdeel moeten vormen van de collectie. “Waar het om gaat, is om een stelsel van onderling samenhangende wegwijzers te cre¨eren, die de gebruikers helpen structuur aan te brengen in de enorme hoeveelheid informatie op het netwerk.” De bibliotheken zullen daartoe allerlei nieuwe diensten en hulpmiddelen moeten ontwikkelen.

Mackenzie Owen voorziet dat de opslagfunctie van bibliotheken minder zal worden. Uitgevers zullen hun boeken, tijdschriften en kranten zelf in databanken gaan opslaan. De rol van de bibliotheek als intermediair tussen uitgever en gebruiker zal daardoor ingrijpend veranderen. Mackenzie Owen: “In de toekomst wordt de bibliotheek veel meer een tussenpersoon die rechten beheert. De meerwaarde ligt hierin dat de uitgever niet met alle individuele gebruikers hoeft af te rekenen [..] en dat de bibliotheek voor de gebruiker een uniforme toegang (met ´e´en gebruikerscode en ´e´en passwoord) kan bieden voor een groot aantal uitgevers en informatiebronnen. Pas op de langere termijn, als publicaties hun commerci¨ele waarde verliezen, komt de bewaarfunctie van bibliotheken weer in zicht.”

Er zijn al dergelijke licentie-overeenkomsten tussen bibliotheken en uitgevers, maar een en ander loopt niet van een leien dakje. Zo krijgt de Koninklijke Bibliotheek (KB) de digitale bestanden van ruim vierhonderd lopende wetenschappelijke tijdschriften van Kluwer, SDU en Elsevier. Eerst werd afgesproken dat die on-line beschikbaar zouden worden gesteld, maar daar schrok men in tweede instantie van terug, vooral door auteursrechtelijke problemen. Nu zijn ze alleen on site beschikbaar, dus in het gebouw van de KB. “Daarmee zijn we weer terug in de IJstijd”, verzucht W. van Drimmelen, directeur van de KB.

Er is maar ´e´en manier voor academische bibliotheken om bij de tijd te blijven en dat is samenwerking. De informatiestroom is vooral door Internet te groot geworden. Bibliotheken zullen minder autonoom worden. Ze zullen betere afspraken moeten maken over opslag en collectievorming en ze zullen ook in zee moeten gaan met andere partijen dan alleen bibliotheken. Bovendien zullen ze internationaal moeten gaan samenwerken. Delft en Bremen doen nu ieder hun best om technische publicaties zo goed mogelijk te verzamelen en te ontsluiten. Ze kunnen ook samen een grote virtuele, technische bibliotheek bouwen. Mackenzie Owen noemt dat een netwerkbibliotheek. Een landelijke netwerkbibliotheek voor de letteren, een internationale voor bijvoorbeeld de medische en technische wetenschappen, zo zal het bibliotheeklandschap er, na vele kleine en grote fusies, uit gaan zien.

Wat betekent dat nu voor de gebruikers? Van Drimmelen verwacht dat de KB niet meteen een facelift krijgt. Waar nu veertig computerschermen staan, zijn dat er over vijf of tien jaar misschien 250. Gebruikers kunnen de informatie nu printen en op een floppy zetten (daar te koop, vanwege besmettingsgevaar).

Het zou mooi zijn als je straks vanuit een bibliotheek verbinding kunt leggen met je pc thuis, om informatie meteen in je eigen databases te verwerken. Vanuit huis zou je op de bibliotheek een soort jukebox met cd's moeten kunnen bedienen. Je zou bij aanmelding op een elektronisch formulier je voornaamste aandachtsgebieden moeten kunnen aangeven. Geavanceerde zoeksystemen van de netwerkbibliotheek houden voor je bij wat er op die gebieden allemaal verschijnt.

En natuurlijk moeten bibliotheken duurder worden. Ze kampen allemaal met financi¨ele problemen, maar ze rekenen dan ook bijna niks. Zo kost een lidmaatschap van de KB nu slechts drie tientjes. Het is onvoorstelbaar hoeveel je daarvoor krijgt. Introduceer een gedifferentieerd tarief dat maximaal zoveel kost als een goede krant en veel van de financi¨ele zorgen zijn voorbij. Met als belangrijkste effect dat er veel meer geld beschikbaar komt om de academische bibliotheek veilig en verantwoord de 21ste eeuw binnen te loodsen.