'Mediacommissie is weinig kansrijk'

Gisteren benoemde staatssecretaris Van der Ploeg (cultuur) een commissie die onderzoek moet gaan doen naar machtsconcentratie in de media. “Ik benijd die commissie niet,” zei professor Van Cuilenburg in juni. Nu zit hij er zelf in.

ROTTERDAM, 3 SEPT. Dit voorjaar verkocht dagblad- en tijdschriftuitgeverij VNU haar belang van 25 procent in de Holland Media Groep (RTL4, RTL5 en Veronica). Collega Wegener Arcade praat op dit moment naar verluidt over de overheveling van tv-station The Music Factory naar diezelfde Holland Media Groep.

Dwarsverbanden tussen verschillende mediatypen worden verbroken. Van 'integratie' en 'kruisbestuiving' tussen verschillende informatiedragers waar door ondernemers veel van werd verwacht, is vooralsnog niet veel terecht gekomen. Niet de beste timing om een commissie in het leven te roepen die de schadelijke gevolgen van 'cross-ownership' in de media moet gaan onderzoeken, zo lijkt het op het eerste gezicht.

De nieuwe staatssecretaris voor mediazaken, Rik van der Ploeg, stoort zich in elk geval niet aan de recente bewegingen in de markt en benoemde gisteren een groep deskundigen die de Tweede Kamer moet gaan adviseren over mediaconcentraties. J. Jessurun, voorzitter van de Raad voor Cultuur gaat de achtkoppige adviescommissie leiden. Verder zijn er experts aangezocht uit voor media relevante terreinen: telecommunicatie, massacommunicatie, mededingingszaken en Europees recht.

De recente marktbewegingen vormen volgens betrokkenen geen beletsel voor het onderzoek. Ook al staat 'cross-ownership' in de media boven aan het lijstje van onderwerpen, machtsconcentraties in bredere zin moeten onder de loep worden genomen. De Tweede Kamer, die vorig jaar al om het onderzoek heeft gevraagd, wil weten of de huidige regels wel een garantie bieden voor de pluriformiteit in de media. Mediabedrijven kunnen vanaf begin dit jaar weliswaar naar de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) om te klagen als een concurrent te machtig wordt en misbruik maakt van zijn positie, maar de vraag is of bij een cultuurgevoelig onderwerp als media een economische toets wel voldoende is. Is een diversiteit aan meningen nog wel gewaarborgd?

Reden tot zorg is er volgens betrokkenen voldoende. Het idee van een adviescommissie werd in maart vorig jaar geboren tijdens kamerdebatten over de veiling van frequenties voor commerciële radiostations. Het ministerie van Verkeer en Waterstaat wil de frequenties verkopen aan de hoogste bieder, maar velen vrezen een ontoelaatbare machtsconcentratie. Het rijke Sky Radio (met op de achtergrond mediaboeman Rupert Murdoch) zou wel eens meerdere frequenties in handen kunnen krijgen.

Ook in de dagbladsector is de storm nog niet uitgeraasd. Voortdurend gaat het halstarrig ontkende gerucht dat VNU na haar televisieactiviteiten ook van haar dagbladen (regionale kranten in zuid-Nederland) af wil. Ook het kwakkelende Wegener Arcade dat veel dagbladen bezit, zal iets moeten doen. Een nieuwe concentratiegolf kan niet worden uitgesloten, ook al hebben de dagbladuitgevers met elkaar afgesproken niet meer dan 33,3 procent van de markt te zullen bestrijken. “Ik wil graag een goeie analyse van die markten,” zegt PvdA-kamerlid Van Zuijlen die de aanzet gaf tot het onderzoek: “Hoe definieer je die sectoren, wanneer is een concern te dominant?” Lastige vragen. Op de gehele dagbladenmarkt houdt PCM Uitgevers zich netjes aan de 33,3-procentsregel, maar intussen heeft het concern wel vier van de vijf landelijke dagbladen (waaronder NRC Handelsblad) in handen.

Met afstand het opmerkelijkste lid van de commissie-Jessurun is prof J. van Cuilenburg. In juni liet de hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam zich in de Volkskrant nog uiterst sceptisch uit over de slaagkans van de commissie die op dat moment nog benoemd moest worden: “Ik kan niet empirisch bewijzen dat de angst van de Kamer terecht is,” zei de hoogleraar toen: “De mediatycoon is uitgegroeid tot een archetype van de ultieme slechterik, maar in Nederland heeft de groei van uitgevers nog niet geleid tot een verslechtering van de informatievoorziening. Je voelt dat vijf kranten of drie tv-zenders in één hand niet goed is, maar tot nu toe ontbreekt het bewijs. Ik benijd die commissie niet.” Sinds gisteren maakt de hoogleraar zelf deel uit van de club. Van Cuilenburg denkt dat zijn scepsis een goed functioneren niet in de weg staat: “Het is de bedoeling dat we alle risico's van machtsconcentraties in de media gaan onderzoeken. Daar hoort ook een sceptische houding bij”, aldus Van Cuilenburg. Kwalijke gevolgen uit het verleden zijn wetenschappelijk lastig te bewijzen, maar volgens Van Cuilenburg moet er ook vooral naar de toekomst gekeken worden: “We moeten op zoek naar voorzorgsmaatregelen.” Commissie-voorzitter Jessurun wil nog niet te diep ingaan op de taken van zijn commissie. Duidelijk is evenwel dat hij die ruim ziet: “Als het aan mij ligt gaat het verder dan de vraag naar pluriformiteit. Ik zou het onderzoek graag verbreden naar de vraag hoe het met de toegankelijkheid van de media gesteld is. Of iedereen op gelijke wijze in staat is zich van informatie te voorzien.”

Vervolgens rijst de vraag wat de politiek met eventuele adviezen gaat doen. De geschiedenis stemt wat dat betreft nauwelijks hoopvol. Drie jaar geleden was er de roemruchte commissie-Ververs die onderzoek deed naar de toekomst van de publieke omroep. Alleen de omroepverenigingen zelf citeren Ververs c.s. nog wel eens omdat die commissie het 'bestaansrecht' van een brede publieke omroep onderstreept zou hebben. Van Zuijlen heeft wel een aantal vingerwijzingen: “Ze moeten met concrete aanbevelingen komen, en ze moeten de verschillende partijen zoals de toezichthouders NMa en Opta er vanaf dag één bij betrekken, om commitment te creëren. Het mag niet zo zijn dat er een persconferentie wordt belegd om het advies toe te lichten, dat vervolgens de deskundigen en de toezichthouders eroverheen gaan, weg advies.” Commissielid Van Cuilenburg: “Ik heb in tal van commissies gezeten en meestal gebeurt daar niets mee.”