Hoe de PvdA toch won

Welke partij heeft bij de onderhandelingen over het tweede paarse regeerakkoord uiteindelijk aan het langste eind getrokken, de PvdA of de VVD? Die vraag laat zich ogenschijnlijk eenvoudig beantwoorden door te kijken naar de afspraken die de coalitiepartijen hebben gemaakt over hoogte en samenstelling van de overheidsuitgaven.

De PvdA heeft de reputatie de uitgaven te willen verhogen. De VVD wekt graag de indruk dat zij de overheid een kopje kleiner zal maken. Afgaande op becijferingen van het Centraal Planbureau hebben de liberalen hun recente zetelwinst aardig weten te verzilveren. De omvang van de collectieve sector zal de komende vier jaar namelijk krimpen. Dat blijkt uit het beloop van de 'uitgavenquote'. Deze geeft de collectieve uitgaven weer als aandeel van de nationale productie. In de zojuist begonnen kabinetsperiode zakt de uitgavenquote in vier jaar tijd van 50,6 tot 47,7. Op het eerste gezicht een fraai resultaat voor de liberale onderhandelaars.

Daar kunnen de sociaal-democraten slechts tegenoverstellen dat de krimp van de collectieve sector de komende vier jaar wordt afgeremd. Onder het eerste paarse kabinet zakte de uitgavenquote veel sneller, van 56,4 tot 50,6. Maar de druiven voor de PvdA schijnen zuur. Zit het kabinet de rit uit, dan is de collectieve sector in het jaar 2002 in verhouding tot het nationaal inkomen liefst vijftien procent kleiner dan in 1994 het geval was. Voor de liefhebbers: berekend als 8,7/56,4 maal 100 procent. Het beeld van de PvdA als 'big spender' moet dus worden bijgesteld.

Toch hebben de sociaal-democraten de slag om de begroting in feite gewonnen. De komende jaren gaat negen miljard gulden extra naar het onderwijs, de zorgsector en andere collectieve voorzieningen, terwijl het eerste paarse kabinet bij zijn aantreden slechts drie miljard voor nieuw beleid uittrok.

Bij de voorgenomen bezuinigingen is het verschil nog opvallender. Het kabinet Kok-I besloot in 1994 dat ombuigingen tot een bedrag van achttien miljard gulden onvermijdelijk waren om het huishoudboekje van de staat kloppend te krijgen. Het kabinet Kok-II meent met zeven miljard gulden te kunnen volstaan. Bovendien zijn deze ombuigingen merendeels boterzacht. De VVD heeft het allemaal geslikt.

Het kabinet heeft wel vastgehouden aan de zogeheten Zalmnorm, door duidelijke afspraken te maken over de maximum- hoogte van de collectieve uitga- ven. Bolkestein ging er prat op. Maar de uitgavenlat is een stuk hoger gelegd. Leuk voor Melkert en de zijnen.

Desondanks dalen de collectieve uitgaven als aandeel van de nationale productie. Dit valt voor een belangrijk deel te verklaren door de kabinetsplannen met de belastingen. Het ligt in de bedoeling de belastingdruk de komende jaren per saldo met ongeveer vijf miljard gulden te verlichten. Hierdoor neemt de koopkracht van de meeste mensen toe, ook wanneer de brutolonen weinig stijgen.

Het Planbureau neemt aan dat de vakbonden hier bij het overleg over de arbeidsvoorwaarden rekening mee houden en lagere looneisen zullen stellen. Bij veronderstelling zouden de CAO-lonen in de lopende kabinetsperiode maar met anderhalf procent per jaar omhooggaan, terwijl de prijzen jaarlijks met twee procent stijgen. Dankzij de belastingverlaging neemt de koopkracht dan toch toe.

Dit tamelijk onrealistische uitgangspunt heeft grote gevolgen voor het geraamde beloop van de collectieve uitgaven. De verbetering van de ambtenarensalarissen en de sociale uitkeringen is namelijk gekoppeld aan de gemiddelde trend van de CAO-lonen. Stijgen die met slechts anderhalf procent per jaar, dan is in de periode 1999-2002 in verhouding weinig extra geld nodig voor de salarissen van het overheidspersoneel en de uitkeringen.

Mochten de vakbonden zo brutaal zijn zich niet te houden aan de gedragsveronderstelling in het model van het Planbureau, dan zijn de rapen gaar. Omdat het uitgavenplafond vastligt (Zalmnorm), smelt de financiële ruimte voor nieuw beleid als sneeuw voor de zon. Extra geld dat nodig is voor salarissen en uitkeringen is in dit geval niet langer beschikbaar voor klassenverkleining, uitbreiding van kinderopvang en politiesterkte, en het wegwerken van wachtlijsten in de zorg.

De aangekondigde belastingherziening brengt verder een aanzienlijke verandering in de samenstelling van de belastingmix: de inkomstenbelasting gaat ongeveer vijftien miljard omlaag, maar de omzetbelasting BTW en de energiebelasting voor huishoudens moeten samen tien miljard meer opbrengen. BTW en milieuheffingen op energie zitten verstopt in de prijzen van goederen, diensten en aardgas.

Gaan deze belastingen omhoog, dan groeit de afzetwaarde van de nationale productie louter als gevolg van de belastinghervorming met tien miljard extra. Dat heeft gevolgen voor de uitgavenquote. De collectieve uitgaven staan boven de breukstreep (teller), de waarde van de nationale productiestaat beneden de breukstreep (noemer). Neemt de productiewaarde statistisch bezien met tien miljard toe, dan draagt dit 'noemereffect' er in belangrijke mate toe bij dat de uitgavenquote zakt tot de genoemde 47,7 in het jaar 2002. De krimp van de collectieve sector is dus voor een niet te verwaarlozen deel een statistisch artefact, en betekent niet dat de VVD de slag om de begroting heeft gewonnen.